Van Roaring Twenties tot La Trente Glorieuses
De bouwonderneming Van Coillie werd in 1919 opgericht door Jérôme Van Coillie in de regio Brugge-Oostende. In de nasleep van de Eerste Wereldoorlog was er een grote vraag naar heropbouw, en het bedrijf wist zich snel te positioneren binnen deze context. Door opdrachten voor zowel publieke als private bouwheren groeide het uit tot een betrouwbare aannemer met een stevige reputatie in de regio.
Tijdens het interbellum kende de onderneming een gestage groei. Ze bouwde expertise op in uiteenlopende projecten en ontwikkelde een organisatorische structuur die haar toeliet grotere opdrachten aan te nemen. Deze periode legde de fundamenten voor de latere expansie van het bedrijf.
Werffoto, Archief van Van Coillie, V.R. en J., Collectie Vlaams Architectuurinstituut – Collectie Vlaamse Gemeenschap.
Na de Tweede Wereldoorlog brak een nieuwe groeifase aan. Onder leiding van de tweede generatie: Victor, René en Jan Van Coillie evolueerde het bedrijf tot een grootschalige speler in de Belgische bouwsector. De onderneming speelde actief in op de noden van de wederopbouw en de toenemende vraag naar infrastructuur, woningen en publieke gebouwen. In de jaren 1960 stelde Van Coillie tussen 500 en 700 werknemers tewerk en trad het op als hoofdaannemer voor omvangrijke projecten verspreid over heel België.
Deze expansie ging gepaard met belangrijke veranderingen in de bouwsector. De naoorlogse periode werd gekenmerkt door industrialisatie, schaalvergroting en een toenemende specialisatie van het bouwproces. Van Coillie speelde hier doelbewust op in door delen van het productieproces intern te organiseren. De integratie van de schrijnwerkerij IPAN is hiervan een duidelijk voorbeeld: het bedrijf kon zo efficiënter werken en meer controle uitoefenen over kwaliteit en timing.
Toch werd deze groei abrupt onderbroken in de jaren 1970. In 1976 werd het bedrijf geconfronteerd met een langdurige fiscale procedure die uiteindelijk leidde tot een faillissement. Hoewel dit faillissement later als onterecht werd beschouwd, had het ingrijpende gevolgen voor de onderneming en haar werknemers. De juridische strijd die volgde, evenals de financiële repercussies, zouden nog jarenlang nazinderen.
Deze episode vormt een sleutelmoment in de geschiedenis van Van Coillie. Ze illustreert niet alleen de kwetsbaarheid van bedrijven in een context van toenemende regulering, maar toont ook hoe externe factoren een doorslaggevende impact kunnen hebben op ogenschijnlijk succesvolle ondernemingen.
Archief van Van Coillie, V.R. en J., Collectie Vlaams Architectuurinstituut – Collectie Vlaamse Gemeenschap.
Een gedeeld verleden en verdeeld archief
Het archief van Van Coillie is vandaag verdeeld over de twee organisaties: het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) en Liberas. Deze opsplitsing weerspiegelt de aard van de bewaarde bronnen en zorgt ervoor dat verschillende aspecten van het bedrijf op een passende manier worden beheerd en ontsloten.
Het VAi beheert het fotografisch archief van de onderneming. Deze collectie omvat heel wat beelden van werven, gebouwen en bedrijfsactiviteiten, voornamelijk uit de naoorlogse periode. De foto’s documenteren niet alleen gerealiseerde projecten, maar tonen ook de organisatie van het werk, de werfpraktijken en de manier waarop het bedrijf zich visueel profileerde.
Dit beeldmateriaal heeft een belangrijke architecturale en cultuurhistorische waarde. Het biedt inzicht in bouwtechnieken, bedrijfsgebouwen en de visuele cultuur van de bouwsector in de twintigste eeuw. Bovendien vormen deze foto’s een zeldzame bron voor de studie van aannemers, een beroepsgroep die in historisch onderzoek vaak minder zichtbaar is dan architecten of opdrachtgevers.
Het archief dat bij Liberas wordt bewaard, heeft een ander karakter en focust op de interne werking van de onderneming. Het bestrijkt de periode 1954-1995, met een duidelijke nadruk op de jaren 1960 en 1970. De kern bestaat uit administratieve, financiële en juridische documenten die inzicht geven in de werking en de context van het bedrijf.
Balansen van Van Coillie, jaren 1950.
Zo bevat het archief een uitgebreide reeks balansen uit de periode 1954-1975, die een gedetailleerd beeld geven van de economische toestand van de onderneming. Daarnaast zijn er talrijke dossiers met betrekking tot belastingaangiften en fiscale controles, die tonen hoe het bedrijf omging met een steeds complexere regelgeving.
Een bijzonder belangrijk onderdeel wordt gevormd door de juridische dossiers rond het faillissement. Deze documenten, waaronder correspondentie met advocaten, rechtbanken en belastingdiensten, maken het mogelijk om de lange nasleep van deze gebeurtenis te reconstrueren. Ze bieden niet alleen juridisch inzicht, maar laten ook toe om de economische en sociale impact van het faillissement te analyseren.
Ook de relaties met financiële instellingen komen aan bod. Dossiers over onder meer de Bank van Brussel geven inzicht in kredieten, waarborgen en de financiële positie van het bedrijf. Daarnaast bevat het archief documenten over bouwprojecten, zoals technische tekeningen, prijsramingen en promotiebrochures, die tonen hoe projecten werden voorbereid en gepresenteerd.
De combinatie van beide archiefdelen biedt een bijzonder rijk perspectief. Waar het VAi de onderneming toont in haar concrete activiteiten op het terrein, maakt Liberas de achterliggende structuren zichtbaar: de financiële organisatie, de juridische context en de strategische keuzes. Samen maken ze het mogelijk om zowel de materiële als de immateriële dimensies van de bouwpraktijk te bestuderen.
Archief van Van Coillie, V.R. en J., Collectie Vlaams Architectuurinstituut – Collectie Vlaamse Gemeenschap.
Deze complementariteit onderstreept het belang van samenwerking tussen erfgoedinstellingen. Door hun gezamenlijke aanpak konden verschillende onderdelen van hetzelfde archief op een duurzame en betekenisvolle manier worden bewaard. Voor onderzoekers betekent dit dat het archief verspreid is, maar net daardoor nieuwe verbanden en inzichten mogelijk maakt.