Wanneer men de internationale campagne tegen de wantoestanden in de Onafhankelijke Congostaat bestudeert, gaat de aandacht in de geschiedschrijving vaak naar Britse actoren, zoals de journalist Edmund Dene Morel (1873-1924) en de diplomaat Roger Casement (1864-1916). Zij richten in 1904 de Congo Reform Association (CRA) op: deze humanitaire organisatie speelt een cruciale rol in de internationale mobilisatie en bewustwording1.
De rol van Belgische opposanten wordt hierbij echter vaak gereduceerd tot een voetnoot. Een van de meest opmerkelijke en consequente critici binnen de Belgische landsgrenzen is de liberale progressist en journalist Georges Lorand (1860-1918). Jarenlang fungeert hij als een eenzame pionier - een ware stem in de woestijn - die het opneemt tegen het absolutistische koloniale bewind van koning Leopold II. In dit stuk zoomen we dieper in op de houding van Lorand, en dit op basis van zijn briefwisseling met Morel2.
De ideologische fundamenten van Lorands antikolonialisme
Georges Lorand wordt in 1894 voor de Liberale Partij verkozen tot lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en profileert zich onmiddellijk als een fervent tegenstander van het koloniale beleid3. In het halfrond luidt zijn kernboodschap dat koloniale politiek slechts leidt tot ‘bloed, veel tranen, veel platgebrande dorpen, veel executies door de kogel of door de zweep, en vele plagen - de gebruikelijke geschenken van de ‘beschavingsbrengers’ aan de zogenaamde lagere rassen’4. Volgens Lorand brengt het kolonialisme een land enkel oneer toe. Zijn kritiek blijft niet beperkt tot het parlement; als hoofdredacteur van het progressieve dagblad La Réforme stuurt hij de krant al in een vroeg stadium in een uitgesproken antikoloniale richting. De humanitaire ondertoon in zijn vertoog is van meet af aan duidelijk aanwezig.
Lorand kan dan ook worden beschouwd als een politieke pionier: in socialistische kringen krijgt een vergelijkbare kritiek pas jaren later vorm. De Belgische Werkliedenpartij (BWP) toont zich aanvankelijk immers onverschillig tegenover koloniale thema’s en geeft prioriteit aan de binnenlandse sociale strijd. Dit standpunt komt in 1895 treffend naar voren in het discours van de socialistische voorman Emile Vandervelde (1866-1938). Hij zweert het koloniale project niet principieel af, maar kadert het binnen de primaire aanpak van de binnenlandse problematiek van de arbeidersbevolking5.
Lorands verzet is diep geworteld in een liberaal vrijheidsideaal. Hij vereenzelvigt het kolonialisme met despotisme en willekeur. De Onafhankelijke Congostaat ontbeert immers elke vorm van rechtsstatelijke en constitutionele waarborgen, wat haaks staat op Lorands overtuiging van een liberale rechtsstaat. Ook op economisch vlak verafschuwt hij de koloniale politiek; het concessiesysteem in Congo is een systeem van monopolies dat loodrecht ingaat tegen zijn liberale ideaal van vrije handel. Bovendien is Lorand bevreesd dat de personele unie tussen België en Congo de Belgische neutraliteit in gevaar brengt en de eigen democratische instellingen corrumpeert.
Hoewel politieke en economische bezwaren belangrijke argumenten zijn, is Lorand ook een van de eersten die het humanitaire drama centraal stelt. Al in september 1896 - ver voor de campagne van Morel wereldwijd tractie krijgt - publiceert hij in La Réforme een ophefmakend artikel getiteld ‘Mains coupées’.6 Hierin stelt hij onomwonden dat het exploitatiesysteem voor rubberwinning onvermijdelijk leidt tot de meest gruwelijke misbruiken, en dat dit in schril contrast staat met de beloofde beschavingsmissie van de Akte van Berlijn.
In eigen land staat Lorand met deze humanitaire kritiek nagenoeg alleen. Hij wordt in het parlement en in de pro-koloniale pers geridiculiseerd, weggezet als een eenzame fanaticus en zelfs uitgemaakt voor een antipatriot of landverrader die heult met buitenlandse belangen.
De voorpagina van La Réforme, waarop het koloniale project wordt afgewezen op basis van humanitaire argumenten.
De Mongala-affaire als breekpunt
Vanaf de tweede helft van de jaren 1890 ontstaat er in België een bescheiden antikoloniale mobilisatie. Prominente figuren sluiten zich hierbij aan en versterken elkaars standpunten, onder wie de socialisten Vandervelde, Louis Bertrand (1856-1943) en Hector Denis (1842-1913), de bankier en ULB-professor Félicien Cattier (1869-1946) en de geograaf Alphonse-Jules Wauters (1845-1916).
Een keerpunt in de Belgische politieke inertie volgt in 1900 met de zogenaamde Mongala-affaire. Op 8 april van dat jaar publiceert de Antwerpse krant De Nieuwe Gazet een vernietigende brief van Louis Lacroix, een Belgische agent in dienst van de concessiemaatschappij Société Anversoise.7 De brief onthult onnoemelijke wreedheden in het Mongala-district: het platbranden van dorpen, moordpartijen op vrouwen en kinderen wegens het niet behalen van quota, en de ophanging van meer dan vijftig gegijzelde vrouwen na een revolte van het Budja-volk.8
Gewapend met deze onweerlegbare feiten voert Lorand - die over een uitgebreid netwerk binnen de koloniale administratie beschikt - in april 1900 drie dagen lang felle interpellaties in het parlement.9 Samen met Vandervelde en Denis, die inmiddels de ernst van de situatie inzien, eist hij dat het Belgische parlement ingrijpt om deze aanfluiting van de menselijkheid te stoppen. Lorand verdedigt de revolte van de Congolese bevolking bovendien als een legitieme ontvoogdingsstrijd tegen een westers dwangregime. Ondanks dit offensief slaagt de invloedrijke koloniale lobby, gesteund door Leopold II en de katholieke regering-De Smet de Naeyer, erin de kritiek te smoren. Dit gebeurt via censuur, omkoping van de pers en het argument dat de Belgische staat geen bevoegdheid heeft in de soevereine Congo-Vrijstaat.10
Een transnationaal netwerk: de erfenis van de Dreyfus-affaire
Uit de briefwisseling met Morel, die over een periode van meer dan twee jaar loopt, wordt duidelijk dat Lorand vooral in Frankrijk steun zoekt om zijn antikoloniale oppositie kracht bij te zetten. Hij put hierbij uit een uitgebreid transnationaal netwerk dat hij jaren eerder heeft gesmeed tijdens de beroemde Dreyfus-affaire. In 1897 richt hij samen met onder anderen Georges Clemenceau (1841-1929) de krant L'Aurore op, het blad dat Émile Zola’s beruchte J'Accuse…! publiceert.11 Dit netwerk van dreyfusards, vrijdenkers en pleitbezorgers van het internationale recht dient als een cruciale basis voor zijn strijd tegen Leopold II.
Lorand is bovendien een sleutelfiguur binnen de Ligue des Droits de l'Homme (de Liga voor de Mensenrechten), die in de nasleep van de Dreyfus-affaire in Frankrijk is ontstaan. In 1901 volgt de oprichting van de Belgische afdeling. Aanvankelijk focust de Liga zich op internationale misstanden zoals de Armeense massamoorden en de Boerenoorlog, terwijl het opvallend stil blijft rond de gruwelen in de Belgische achtertuin. Tijdens de eerste grote vergadering van de Liga over Congo in december 1905 haalt Lorand fel uit naar deze hypocrisie:
‘Wij hebben tijdens talrijke bijeenkomsten de wandaden van het autocratisme in Armenië en in Rusland bestreden; het verbaast me dat de vreemdelingen die wij zo aan de kaak stellen, zich niet tot ons hebben gewend met de woorden: “Richt u eens tot uw eigen absolutistische vorst”.’12
Wanneer Lorand in 1907 voorzitter wordt van de Belgische Liga - een aanstelling die onlosmakelijk verbonden is met zijn antikoloniale houding - stuurt hij de organisatie strak in een antikoloniale richting. Onder zijn impuls stelt de Liga dat jaar een zeer vooruitstrevende dagorder op. Hierin pleit hij niet alleen voor een einde aan de dwangarbeid en de absolute macht van de vorst, maar eist hij - bijzonder revolutionair voor die tijd - ook gelijke mensenrechten voor alle Congolese burgers.
Via zijn Franse contacten probeert Lorand ook in het buitenland de druk op de ketel te houden. Hij staat in nauw contact met de Franse Liga-voorzitter Francis de Pressensé, de intellectueel Anatole France en leden van de Ligue Internationale pour la Défense des Indigènes dans le Bassin Conventionnel du Congo. Lorand informeert zijn Franse vrienden over de Belgische toestanden en moedigt hen aan om diplomatieke druk uit te oefenen op Leopold II en de Belgische regering.
Vooral de relatie tussen Lorand en Clemenceau - die van 1906 tot 1909 voor de eerste maal premier is - is uitermate boeiend. Zo meldt Lorand aan Morel dat de Belgische vorst bij Clemenceau om steun aanklopt.13 Volgens Lorand hoeft Morel zich hierover echter geen zorgen te maken, aangezien hij zelf een goede verstandhouding heeft opgebouwd. Hij stelt dat er een (kopie) brief van Clemenceau aan Leopold II op zijn bureau ligt die bijna leest als een onbeleefde afwijzing. Ook Belgische kranten wijzen in deze periode op de bijzondere band tussen Lorand en Clemenceau en de diplomatieke moeilijkheden die dit voor de vorst creëert. De acties van Clemenceau worden echter vooral ingegeven door geopolitieke belangen; een element dat Lorand minimaliseert door een eigen projectie van humanitaire suprematie.14
De alliantie met E.D. Morel
Tegelijkertijd ontstaat er een nauwe, zij het voorzichtige, as tussen Lorand en de Britse Congo Reform Association van Morel. Uit hun briefwisseling blijkt een intense uitwisseling van informatie. Lorand voedt Morel met vertrouwelijkheden over de interne Belgische politiek, rapporten over koloniale misdrijven en de belangenvermenging van Belgische parlementsleden in koloniale maatschappijen. Op zijn beurt zorgt Morel ervoor dat het rapport van Roger Casement (1904) - dat de wreedheden onafhankelijk bevestigt - internationaal gewicht in de schaal werpt.
Lorand moet deze samenwerking echter uiterst behoedzaam orkestreren. In België heerst een sterk anti-Brits sentiment (mede gevoed door de wreedheden van de Britten in de Boerenoorlog), en Morel wordt in de pro-koloniale pers consequent afgeschilderd als een spion voor jaloerse 'Liverpool merchants' (Britse handelaars) die de Belgische kolonie willen stelen. Lorand weigert dan ook steevast om publieke toespraken in Engeland te houden of om te publiceren in Morels West African Mail, uit angst door zijn ‘patriottische’ landgenoten te worden vervolgd wegens hoogverraad en zijn geloofwaardigheid in eigen land te verliezen. ‘Wij mogen niet de indruk wekken dat wij degenen zijn die informatie naar Engeland hebben doorgespeeld’, waarschuwt Lorand Morel in een vertrouwelijke brief. Lorand publiceert wel in andere Britse tijdschriften, zoals de Contemporary Review, met als voornaamste doel de Britse publieke opinie ervan te overtuigen dat een Belgische overname geen oplossing biedt.15
Het annexatiedebat: de breuk tussen Lorand en Vandervelde
Onder verstikkende internationale druk ziet Leopold II zich uiteindelijk in 1908 - schoorvoetend - verplicht om zijn privédomein over te dragen aan de Belgische staat. Waar de buitenlandse druk en kritiek de weg plaveien voor deze zogeheten ‘Belgische oplossing’, leidt dit binnenskamers tot een diepe verdeeldheid tussen de twee grootste Belgische critici: Vandervelde en Lorand. Vandervelde neemt een pragmatische houding aan. Gedreven door de noodkreet van de Congolese bevolking en ervan overtuigd dat elke situatie beter is dan het voortduren van Leopolds autocratie, kiest hij ervoor de overname te steunen. Hij hoopt op die manier de dwangarbeid af te schaffen en hervormingen door te voeren. Zelfs Morel en de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Edward Grey, scharen zich uit geopolitiek pragmatisme achter deze annexatie.16
Lorand daarentegen blijft een onbuigzame tegenstander. Hij is ervan overtuigd dat een eenvoudige bestuursoverdracht het wezenlijke probleem - het koloniale uitbuitingssysteem - niet verandert. Hij vreest dat de koning en de heersende koloniale elite (de zogenaamde ‘koloniale partij’) achter de schermen aan de touwtjes blijven trekken, aangezien zij als enigen over de werkelijke kennis en macht beschikken. Bovendien waarschuwt Lorand voor de gigantische financiële lasten die op de Belgische belastingbetaler worden afgewenteld, zoals het afkopen van de overheidsschulden en het Kroondomein. In een bittere brief aan Morel wijst hij de Britten op hun naïviteit:
‘U zal bedrogen worden, Messieurs les Anglais. Uiteindelijk zal u ons een overname opgedrongen hebben die België niet wil, en de koning zal blijven heersen over Congo zoals hij daarvoor reeds deed.’17
Lorand blijft pleiten voor een internationale conferentie, gesteund op de bepalingen van de Akte van Berlijn. Hij hoopt op een diplomatiek offensief waarin zijn vriend Clemenceau het voortouw neemt, maar de grootmachten zijn te verlamd door geopolitieke vrees om het lot van Congo te internationaliseren. Uiteindelijk stemt het Belgische parlement in augustus 1908, met 83 stemmen voor en 59 stemmen tegen, in met het Koloniaal Charter en de overname van de Congo-Vrijstaat door de Belgische overheid.
Een belangrijke nalatenschap
Hoewel Lorand de formele machtsovername door de Belgische staat in Congo niet kan verhinderen, mag de morele en strategische erfenis van deze progressistische liberaal niet worden onderschat.18 Retrospectief lijkt zijn verzet wellicht utopisch binnen een politiek landschap dat de koloniale ideologie als vanzelfsprekend beschouwt, maar zijn positie is geworteld in een diepgaand democratisch principe. Allereerst wordt Lorands handelen gedreven door een onwankelbaar geloof in de kracht van de publieke opinie; een cruciale erfenis van de Dreyfus-affaire. Het is dan ook niet toevallig dat hij de Congokwestie bestempelt als het ‘Belgische Dreyfus-schandaal’. Lorand probeert de Belgische bevolking niet alleen via het parlement of de krantenkolommen te mobiliseren, maar ook door middel van talloze publieke toespraken. Zijn briefwisseling onthult hoe hij onvermoeibaar het hele land doorkruist, van Geraardsbergen tot Gembloux. Hierbij valt zijn realisme op: hij stelt vast dat de Belgische burger doorgaans slecht geïnformeerd is en vreest dat hem te weinig tijd rest om het tij te keren vóór de cruciale stemming over de annexatie.
Een tweede element dat zijn ‘hopeloze’ verzet in perspectief plaatst, is het succes dat hij in andere campagnes boekt. Zo boekt hij resultaat in de zaak rond de Antwerpenaar Edward Joris, die gevangen wordt gehouden in het Ottomaanse Rijk. Zijn meest succesvolle campagne voert hij ongetwijfeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, omwille van zijn belangrijke bijdrage in het overtuigen van de Italiaanse bevolking om aan de zijde van België te strijden.19 Hier toont Lorand nog een laatste maal de kracht van zijn eruditie en het gewicht van de publieke opinie.
In de Congokwestie blijkt hij zijn tijd ver vooruit. Dit uit zich enerzijds in zijn pleidooi voor een internationale oplossing - een concept dat pas na de Eerste Wereldoorlog vorm krijgt binnen de Volkenbond - en anderzijds in zijn streven naar volwaardige mensenrechten voor de Congolese bevolking, gestoeld op het principe van zelfbeschikking.
Georges Lorand (tweede van links, met hoed in de hand) neemt deel aan een manifestatie tegen de Schoolwet (Le Monde Illustré, 1895).
Bronnen, noten en/of referenties
1. Nathan Alexander, ‘E.D. Morel (1873-1924), the Congo Reform Assocation, and the History of Human Rights’, in: Britain and the world, 9 (2016): 213-235.
2. De briefwisseling tussen Morel en Lorand wordt bewaard in het archief van The London School of Economics and Political Science (LSE): Archives of the London School of Economics and Political Science, Londen. E.D. Morel Papers. General Correspondence: Georges Lorand 1907-1909, MOREL/F8/104.
3. Voor een meer gedetailleerde biografie zie: Nathan Lauwers, Georges Lorand (1860-1918): Een transnationale progressieve liberaal (Brussel: Academic & Scientific Publishers, 2018).
4. Georges Lorand, ‘Reprise de la discussion de l'interpellation de M. de Smet de Naeyer’, in: Annales parlementaires de Belgique. Chambre des représentants (26 juni 1895): 1974.
5. Ibidem: 1975-1979.
6. Georges Lorand, ‘Mains coupées’, in: La Réforme (22 september 1896).
7. ‘Interview’, in: De Nieuwe Gazet (8 april 1900).
8. Zie: Daniël Vangroenweghe, Rood rubber: Leopold II en zijn Kongo (Brussel: Uitgeverij Van Halewyck, 2004).
9. In La Réforme citeert Lorand vaak uit brieven of rapporten die enkel via de koloniale administratie verkregen kunnen worden.
10. Zie: Matthew Stanard, Selling the Congo. A history of European pro-empire propaganda and the making of Belgian imperialism (Lincoln: University of Nebraska Press, 2012).
11. Een groot deel van de financiële middelen komt wellicht van Georges Marquet, miljonair en later liberaal ondernemer, voor wie Lorand optrad als advocaat. De persoonlijke band met Lorand was misschien zelfs nauwer, aangezien Lorand gehuwd was met Adolphine-Cathérine Marquet. ‘M. Georges Lorand à Paris’, in: Le Vingtième Siècle (16 mei 1907).
12. ‘La Question Congolaise. Le Meeting de la Ligue des Droits de l’Homme’, in : Le Peuple (1 december 1905).
13. Ongedateerde brieven van Lorand aan Morel, MOREL/F8/104.
14. Gilles Manceron, Marianne et les colonies: une introduction à l’histoire colonial de la France (Parijs: La Découverte, 2003) 236-251.
15. Georges Lorand, ‘Belgian Opinion on the Congo question’, in: The Contemporary Review (1908): 182-190.
16. John Osborne, ‘Wilfred G. Thesiger, Sir Edward Grey, and the British campaign to reform the Congo, 1905-9’, in: The journal of imperial and commonwealth history (1999): 59-80.
17. Brief van Lorand aan Morel, 1 april 1908, MOREL/F8/104.
18. De historicus Zana Etambala heeft reeds meermaals geopperd dat Lorand, vanwege zijn compromisloze houding, een standbeeld verdient in Kinshasa.
19. Zie: Nicoletta Casano, ‘Les réseaux unissant francs-maçons et laïques belges et italiens de la fin du XIXe siècle jusqu’à la deuxième guerre mondiale. Prémisses et réalisation de l’accueil en Belgique des fuorusciti italiens’, (PhD diss.,ULB, 2013), 1-366.