Familiaal netwerken in de Belle Epoque
Robert Brasseur (1878-1967) wordt geboren in Gent op 13 juli 1878 als zoon van Octave Brasseur (1852-1899) en Marie Andries (1855-1921). Vader maakt een bescheiden fortuin in de textielsector en sticht in 1896 de nv Cotonnière Nouvelle Orléans, een katoenspinnerij gelegen tussen de oude Lieve en het Verbindingskanaal en genoemd naar de Amerikaanse exporthaven van waaruit veel katoen richting Gent vertrekt. Andere textielbedrijven uit de directe omgeving maken eenzelfde keuze, zoals de Texas, La Louisiana of de Cotonnière Galveston. Moeder is een dochter van Charles Andries, een burgerlijk ingenieur die hoogleraar machinebouw en rector van de Gentse universiteit is geweest en daarnaast als schepen van Openbare Werken en vervolgens van Onderwijs een uitgebreid netwerk heeft uitgebouwd in zowel sociaal-liberale middens als de bedrijfswereld.2
Met goed uitgekiende huwelijken zetten Octave en Marie hun kroost op weg naar een prominente rol in de Gentse industriële burgerij. Dochter Louise stapt in het huwelijksbootje met Georges Theunis, een ingenieur die voor de groep Empain werkt, in ACEC carrière maakt en daar een rijke loopbaan in de politiek aan vastknoopt. Theunis wordt senator voor de katholieke partij, is meermaals minister waaronder tweemaal eerste minister en wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog gouverneur van de Nationale Bank.
Roberts jongere zus Henriette trouwt met Jean Delori, een leeftijdgenoot van Robert die een leven lang op alle vlakken zijn compagnon de route wordt. Met Delori deelt hij een ingenieursopleiding, hobby’s, politiek en sociaal engagement, en inzet voor het onderwijs. Delori leert het vak bij Leon Tertzweil van de Gentbrugse Clouterie et Tréfilerie des Flandres, beter gekend als de Puntfabriek. In 1920 wordt hij er afgevaardigd beheerder, waarna hij de integratie in de Luxemburgse staalgroep ARBED bewerkstelligt.3
Robert zelf huwt met Louise Dierman (1882-1970), en krijgt met haar twee dochters en een zoon, Mariette, Antoinette en Harry. Louise is de dochter van katoenfabrikant Jean-Jacques Dierman (1850-1910) en Elodie Vanhaute (1855-1949). Dierman is eigenaar van een de oudste katoenfabrieken in de Gentse Dampoortwijk en is samen met Octave Brasseur, Leon Tertzweil en Gustave Carels - eigenaar van het gelijknamig metaalverwerkend bedrijf aan het Gentse Handelsdok - betrokken bij de oprichting van de sa Cotonnière La Nouvelle Orléans.
Wat illustreert familiebanden beter? De kinderen van Robert Brasseur in een toneelopvoering met het kroost van zijn notabele vrienden. Vlnr. Claire Dierman, Gino Delori, Antoinette, Harry en Mariette Brasseur, Riquet Braun, Jacques Callier, Edith Boddaert, Lucien Brunin en Francine Dierman.
La Nouvelle Orléans
De familie Brasseur zocht in de negentiende eeuw een eigen plaats in de Gentse textielwereld, maar halfweg de jaren 1890 komt Octave Brasseur tot het inzicht dat voor zijn familiebedrijf geen toekomst is weggelegd. Schaalvergroting via de oprichting van een naamloze vennootschap zou een leefbaar parcours moeten bieden. Samen met enkele goede bekenden richt hij bijgevolg in 1896 de Cotonnière Nouvelle Orléans op met hemzelf als eerste directeur. Aan het Verbindingskanaal - de strategische verbinding tussen het kanaal Gent-Terneuzen en de Brugse Vaart - wordt een katoenspinnerij en -twijnderij opgetrokken die in 1899 in gebruik wordt genomen: een vier verdiepingen hoge spinnerij met schilddaken, typisch voor een Manchestergebouw, met op de hoek een grote vierkante traptoren. Die traptoren krijgt later een leiendak waaronder een groot waterreservoir voor het brandblussysteem van de fabriek wordt geïnstalleerd. Tot halfweg de twintigste eeuw wordt de site continu uitgebreid met extra magazijnen en kantoorruimte. Ook het hoofdgebouw wordt systematisch vergroot en in 1947 wordt de grote ronde fabrieksschouw opgetrokken, die, samen met de toren en het hoofdgebouw, nog steeds de site domineert.
Tien jaar later breken economisch moeilijke tijden aan. In 1957 fusioneert la Nouvelle Orléans met de jutespinnerij De Waele-Rothlisberger en wordt de Filature Nouvelle Orléans (FNO). Robert Brasseur beslist om over te schakelen op de verwerking van synthetische vezels waardoor hij het bedrijf opnieuw in een concurrentiële positie brengt. Dit is slechts tijdelijk want in 1972 is de bedrijfssituatie nog steeds precair: als laatste redmiddel wordt FNO overgenomen door UCO. Het mag echter niet baten.
Tussen 1988 en 1990 wordt FNO ontmanteld. In 1990 komt de hele site in handen van een Brusselse projectontwikkelaar, die zonder vergunning aan het slopen gaat en de rest van de gebouwen laat verkommeren. In 1995 worden de resterende gebouwen erkend als beschermd monument en in 2023 als bouwkundig erfgoed. De stad Gent neemt de site over, een deel wordt ingericht als park, de resterende fabrieksgebouwen worden aangevuld met een nieuwbouw waarin de brandweer nieuwe huisvesting krijgt.4
Een wijd vertakt netwerk
La Nouvelle Orléans is zijn thuishaven, maar daarnaast is Robert Brasseur actief in tal van andere bedrijven en financiële instellingen. In 1919 sticht hij samen met Emile Braun, Jean-Bapiste de Hemptinne, Gaston Hebbelynck en Marcel De Clercq de Union Cotonnière (UCO), die met de steun van Gérard Cooreman van de Generale Maatschappij de Gentse textielsector nieuw leven wil inblazen. Brasseur wordt in 1934 voorzitter van de raad van bestuur en loodst UCO door de crisis van de jaren ’30 en door de Tweede Wereldoorlog. Andere raden van bestuur waarop hij zijn stempel drukt, zijn onder meer La Manilla, Dierman, de Filaterie impériale d’Alost, La Silkose, de Union générale belge d’Electricité, de Banque de Flandre et de Gand, La Lys. Hij is medestichter en voorzitter van de cv’s La Textile en La Textile Déchets, twee organismen die de collectieve verkoop van textiel organiseren.
Zijn aanwezigheid in werkgeversorganisaties wordt ook hoog gewaardeerd. Brasseur wordt voorzitter van de Association Cotonnière de Belgique, ondervoorzitter van de Association belge des Filateurs de Coton en ondervoorzitter van de Fédération de l’Industrie textile belge. Hij is na de Tweede Wereldoorlog mede-initiatiefnemer van de oprichting van Febeltex, de eengemaakte werkgeversorganisatie voor de gehele textielsector en wordt de eerste voorzitter (1946-1951). Op internationaal niveau bewijst hij zich als penningmeester van de Fédération international cotonnière.5
De populaire migratie naar en handel met Latijns-Amerika boeit hem eveneens. Hij wordt op jonge leeftijd consul voor Uruguay voor Oost-Vlaanderen en promoot op alle mogelijke manieren Uruguay, een land van blijkbaar eindeloze mogelijkheden. Zo lanceert hij van 1903 tot 1904 een intensieve perscampagne richting Belgische architecten. De Uruguayaanse overheid schrijft immers een internationale aanbesteding uit voor het ontwerp van een majestueus parlementsgebouw in Montevideo. Of er een Belgische inzending is geweest, is niet duidelijk. Het contract gaat uiteindelijk naar de Italiaanse architecten Vittorio Meano en Gaetano Moretti.
Sociale woningbouw
Gekoppeld aan zijn rol als fabrieksdirecteur engageert Brasseur zich voor de bouw van sociale woningen voor zijn arbeiders. Hij werkt hiervoor samen met de nv Gentse Maatschappij der Werkerswoningen die van 1904 tot 1933 bestuurd wordt door Marc Baertsoen, de liberale voorzitter van het Bureau van Weldadigheid en vanaf 1925 voorzitter van de Commissie van Openbare Onderstand van Gent.6 In 1913 stelt Brasseur hiervoor gratis een stuk grond ter beschikking in de aan zijn fabriek palende Roggestraat. In het jaarverslag wordt vermeld:
‘de naamlooze katoen fabriek "la nouvelle Orléans" stelt kosteloos ter beschikking der Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen eenen uitgestrekten grond dicht bij hare werkhuizen, om er eenen nieuwen groep werkerswoningen op te bouwen, met voorwaarde dat ten alle tijde de voorkeur voor het verhuren dezer woningen aan de werklieden van "la nouvelle Orléans" zal behouden worden. Ziedaar [../..] een navolgenswaardig voorbeeld gegeven aan de grootnijverheid door een der voornaamste firmas onzer Stad; deze toont aldus hoezeer zij de pogingen waardeert sedert eenige jaren aangewend tot verbetering van de werkerswoning, verbetering welke, door de werkman van de herberg te verwijderen, en door hem te huis te houden, krachtig moet bijdragen tot zijne natuurlijke, zedelijke en verstandelijke ontwikkeling.’7
In de daaropvolgende jaren bouwt de Maatschappij op die gronden twintig eengezinswoningen en een flatgebouw met twaalf appartementen (1914-1915) naar ontwerp van Charles Van Rysselberghe, twintig jaar later aangevuld met een flatgebouw met zes wooneenheden (1933) naar ontwerp van Oscar Van de Voorde. In zijn jaarverslag van 1929 betreurt de Maatschappij dat ‘dit schoon voorbeeld aan de nijverheid gegeven door een der bijzonderste firma's ongelukkiglijk geene verdere navolgers vond.’ Brasseur volgt in 1928 Camille De Bast op als bestuurder van de Maatschappij der Werkerswoningen, intussen de Maatschappij van Goedkoope Woningen genoemd.8
Twintig jaar later volgt de Residentie Robert Brasseur in de Stoppelstraat, het eerste sociale woningbouwproject van de Huisvestingsmaatschappij van Vlaanderen. Dit torengebouw bevat 52 wooneenheden en een aansluitende laagbouw met nog eens 18 appartementen. Gebouwd naar ontwerp van Fritz Coppieters op de gronden van het in 1956 afgebroken refugehuis van de priorij van Waarschoot, kan het gebouw in 1958 - bij een huldiging van Robert Brasseur - in gebruik worden genomen. Deze Huisvestingsmaatschappij is ontstaan op initiatief van UCO en mikt prioritair op woonruimte voor de eigen arbeiders en bedienden.9
Het Institut de Gand
Met de stichting van het Comité de Patronage de l’Institut de Gand in 1926 wil de enige vrije liberale secundaire school van Gent zijn materieel, pedagogisch en vrijzinnig project op lange termijn van een toekomst verzekeren. In de eerste raad van beheer van dit Comité de Patronage zetelt naast erevoorzitter baron Goffinet een keur aan Gentse industriëlen, liberale politici, academici en financiers. Onder hen Maurice de Smet de Naeyer, Eugène Dauge, Adolphe Seresia, Joseph Bidez en het tweemanschap Jean Delori en Robert Brasseur.
Voor Brasseur wordt de verankering van de school in het Gentse onderwijslandschap een passie. Wanneer na de Tweede Wereldoorlog duidelijk wordt dat de goede relatie met het stadsbestuur snel op de helling komt te staan, gaat de school op zoek naar een autonomiebevorderende herstructurering. Met Brasseur als een van de drijvende krachten, wordt in 1952 het Comité grondig hervormd tot een op moderne leest geschoeide vzw onder de naam Comité de Patronage et de Soutien. In mei 1953 volgt de oprichting van de vastgoedpoot van de school, de cv Immobiliën Instituut van Gent waarin directeur Roger Pernot en voorzitter Robert Brasseur de dienst uitmaken. Tot zijn overlijden blijft Brasseur een centrale steunpilaar van deze school.10
De sa Cotonnière Nouvelle Orléans. Medaillon met de initialen van het bedrijf (Liberas).
Het hoofdgebouw van de sa Cotonnière Nouvelle Orléans (Liberas).
Residentie Brasseur in de Stoppelstraat, Gent (Liberas).
Residentie Brasseur in de Stoppelstraat, Gent (Liberas).
Filantroop en verenigingsmens
Er blijft ondanks alles nog vrije tijd over. In verenigingsarchieven en de liberale pers duikt zijn naam als weldoener of actief lid met de regelmaat van de klok op. Als filantroop gaat zijn inbreng onder meer richting Gentse cultuurgerichte organisaties zoals de Société Callier en l’Avenir (die het buitenschools onderwijs financieren) of het Willemsfonds (als cofinancier van de volksbibliotheek op Meulestede). Andere initiatieven die hij steunt, zijn onder meer de Crèches Gantoises, het Oeuvre des Mères de Famille, het Werk van de Schoolmaaltijden, het Nachtverblijf, het Rode Kruis, en de Zonder Naam niet Zonder Hart, waarin de hele familie Dierman generaties lang de drijvende kracht is. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is hij heel actief in het Provinciaal Hulp- en Voedingscomité.
Wat nog rest aan vrije tijd brengt hem onder meer naar de Concorde op de Kouter, de liberale club bij uitstek, waarvan hij van 1897 tot zijn overlijden lid is. Als levenslang ijveraar voor de Franse cultuur en de tweetaligheid in Gent, zetelt hij meer dan een halve eeuw in het bestuur van de Cercle Royale Artistique et Littéraire en van l’Emulation Artistique.
Fysieke ontspanning vindt hij in de schermclub Sint-Michielsgilde. Hij is er actief lid en neemt in 1913 samen met zijn vrouw deel aan de historische stoet ter gelegenheid van zowel de driehonderdste verjaardag van de gilde als de Gentse Wereldtentoonstelling.11
Afscheid
Robert Brasseur overlijdt na een rijkgevuld leven op 1 juni 1967 in zijn stadspaleis aan de Coupure Rechts. Na een kerkdienst in de Sint-Martinuskerk van Ekkergem wordt hij begraven in de familiekelder op de Westerbegraafplaats.12
Bronnen, noten en/of referenties
1 Over de rol en betekenis van de 19e-eeuwse ‘hommes-orchestres’, zie Carmen Van Praet, Bewogen burgers. Negentiende-eeuwse liberalen en de sociale kwestie in België (1846-1886) (Gent: Liberas vzw, 2019).
2 Bart D’hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat. Gids door 150 jaar liberaal leven in Gent (Gent: Uitgeverij Snoeck ism Liberaal Archief vzw, 2014), 95-96.
3 Un demi-siècle d’histoire industrielle (1911-1964) (ARBED, 1964), 75-77, 387-389.
4 Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 4nc Stad Gent. 19e- en 20e-eeuwse stadsuitbreiding (Brussel en Gent: Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur (Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg) en Snoeck-Ducaju & Zoon, 1982), 210-211; Inventaris Onroerend Erfgoed, ‘Katoenspinnerij La Nouvelle Orléans, geraadpleegd op 26 juni 2026.
5 Ginette Kurgan-van Hentenrijk, Serge Jaumain, Valérie Montens, Dictionnaire des patrons en Belgique (Brussel: De Boeck Université, 1996), 70-71 ; ‘Le portrait de la semaine: le baron Braun’, in: La Flandre Libérale, 28-29 mei 1960.
6 D’hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat (Gent: Uitgeverij Snoeck ism Liberaal Archief vzw, 2014), 170-171.
7 Marc Baertsoen, Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen. Historisch overzicht (Gent: Ad.Hoste, 1913), 27.
8 Marc Baertsoen, Gentsche Maatschappij voor Goedkoope Woningen. Historisch overzicht ter gelegenheid van de 25ste verjaring der stichting der maatschappij (Gent, 20 oktober 1929), 8; Inventaris Onroerend Erfgoed, Gevelwand van twintig eengezinswoningen, en Sociale woningbouw, geraadpleegd op 27 juni 2026.
9 Marie-Louise Bisschop, Guido Deseyn, Jo Desmedt, Luc Joos, Volkshuisvesting in Gent. 80 jaar Gentse Maatschappij voor de Huisvesting (Gent: Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie, 1984), 87 ; Inventaris Onroerend Erfgoed, Sociale huisvesting Residentie Robert Brasseur, geraadpleegd op 27 juni 2026. De laatste uitbater van de residentie, de Sociale Huisvestingsmaatschappij ABC, ging in 2022 op in Thuispunt Gent, dat in 2026 een eerste uitgebreide reeks archieven overdroeg aan Liberas. Dit archief moet nog worden geïnventariseerd en is nog niet raadpleegbaar. Dit geldt eveneens voor de gerelateerde archieven van WoninGent, de cv Gezonde Werkmanswoning en cv De Gentse Haard die in bezit zijn van Liberas.
10 Bart D’hondt, ‘Van Institut Rachez tot IVG-School’, in: IVG-School? Een inspirerend, vrijdenkend en geëngageerd verhaal in ons Gents onderwijslandschap (Gent: IVG-Scholengroep ism Liberas, 2024), 12-108. De volgende gerelateerde archieven worden in Liberas bewaard: Institut de Gand / Instituut van Gent (archief nr. 755) en Union des élèves et anciens élèves de l'Institut de Gand (archief nr. 1850)
11 Joseph Casier, Chef-confrérie royale et chevalière de Saint-Michel. Fêtes du Tricentenaire 1613-1913 (Gent: Vanderpoorten, 1913), 160-161; Beatrix Baillieul (red.), En garde ! Prêts ? Allez ! Vierhonderd jaar schermen in de Koninklijke en Ridderlijke Hoofdgilde van Sint-Michiel te Gent (1613-2013) (Gent: Sint-Michielsgilde, 2013), 70.
12 La Flandre Libérale, 3 juni 1967, Le Soir, 4 juni 1967.