Een vlotte start
In januari 1864 zitten drie huisschilders, een slotenmaker, een zilversmid, een boekdrukker, een behanger, een meubelmaker, een kleermaker en een wetenschappelijk tekenaar samen met initiatiefnemer Pierre Cnudde, een leraar aan de Nijverheidsschool, rond de tafel. Zij willen vakkennis delen, creativiteit bevorderen, zelfstudie en praktijkgericht onderzoek stimuleren en daar als lijm een flinke portie ontspanning aan toevoegen. De Maatschappij tot Bevordering van Nijverheid en Wetenschappen ziet het levenslicht1. En het werkt.
Resultaatgericht als de oprichters zijn, worden de na korte tijd honderden leden, mannen én vrouwen, ondergebracht in een hele reeks specifieke nijverheidsafdelingen, aangevuld met afdelingen voor meer algemene vorming en vermaak. Ter ondersteuning van de werking wordt van bij de aanvang een uitgebreide bibliotheek met leeskabinet ter beschikking gesteld en zorgen vakspecialisten voor opleidingscursussen, ‘hoogere’ taallessen en voordrachten over een breed gamma van onderwerpen, van optica tot Vlaamse kunstschilders of de heroïsche tijden van de strijd tegen de Spaanse overheersing.2
De liberale connectie
De Maatschappij tot Bevordering van Nijverheid en Wetenschappen ontstaat niet in een politiek vacuüm. Het liberale gemeentebestuur is de nieuwe organisatie welgezind en kent vanaf de jaren 1870 ook regelmatig subsidies toe. Het netwerk van Gentse liberale verenigingen biedt een nog veel warmer onthaal. Vergelijkbare verenigingen die aan volksopvoeding willen doen, zoals het Van Crombrugghe’s Genootschap, het Willemsfonds en later de Laurentkringen, omarmen Nijverheid en Wetenschappen en een voor de hand liggende symbiose. De Maatschappij uit zich bovendien als een overtuigd Vlaamsgezinde vereniging waardoor zij makkelijk aansluiting vindt bij onder meer de Bond der Vlaamse Liberale Maatschappijen en bij de flamingante vleugel van de Liberale Associatie. Ze is niet uitgesproken politiek, maar biedt wel altijd steun vanop de achtergrond, uitzonderingen daargelaten. Dit leidt soms tot spanningen in twee richtingen, zoals het debat rond de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht, waarbij het bestuur tot ongenoegen van een aantal leden op de vlakte blijft, of net omgekeerd, bij de beslissing van datzelfde bestuur om deel te nemen aan de stoet in het kader van de - uitgesproken antiklerikale - Pacificatiefeesten.
Kansen voor de ondernemers
Met ondernemers en beroepsorganisaties is er daarentegen een uitgesproken connectie. Industriëlen juichen deze vorming van hun personeel en het stimuleren van vernieuwing via de ambachtslui toe. Als weldoende mecenassen gaan ze de vereniging rijkelijk financieren en ook materieel ondersteunen via bijvoorbeeld bedrijfsbezoeken, aanvullende opleidingen in hun fabrieken en het ter beschikking stellen van machines en werktuigen. Het actieve bestuur laten ze in eerste instantie over aan de betrokkenen zelf. In het werkingsverslag voor 1864-1869 lezen we: “Eene vereeniging, door werkmanszonen ingericht, en uit werkmanskinderen bestaande, mocht door geenen eerzuchtigen, noch door rijkdom invloedhebbenden persoon bestuurd worden. Het moest ook een werker zijn.”
Lodewijk Schepens, kunstschilder en leraar aan de Nijverheidsschool, neemt de eerste jaren het voorzitterschap voor zijn rekening, opgevolgd door de aannemer Camiel Imbrouck en na diens overlijden in 1886 door architect en aannemer Jean Spilthoorn.
Camiel Imbrouck (1835-1886) is ongetwijfeld de meest emblematische voorzitter van de Maatschappij. Hij is de zoon van een timmerman, wordt aannemer-architect in Gent en werkt zich op tot directeur van opeenvolgend de Tekenschool van Deinze en de Nijverheidsschool in Gent. Als stichtend lid wordt hij voorzitter van de afdeling bouwkunde van de Maatschappij tot Bevordering van Nijverheid en Wetenschappen en vervolgens in 1878 algemeen voorzitter.
Imbrouck is als aannemer betrokken bij de urbanisatie van ‘het voorgeborchte’ van de Brugsepoortwijk rond de Zuidkaai en is secretaris van de vakvereniging van de ‘Aannemers van Bouwwerken’. Hij zet echter vooral zijn stempel als sociaalvoelend ondernemer. Imbrouck is een actieve armenmeester voor het Gentse Bureel van Weldadigheid en ziet in opleiding in de eigen moedertaal de enige weg naar emancipatie. Om dit te realiseren, richt hij in 1885 de Bond der Vlaamsche Liberale Maatschappijen op die de verenigingen die actief zijn rond volksopvoeding, samenbrengt met de politieke actoren.3
Deze voorzitters zorgen onmiddellijk voor een schare van kapitaalkrachtige liberale ondernemers die bereid zijn om een gulle erevoorzitter of ereondervoorzitter te worden. Onder anderen Eduard Jaequemyns, Pierre Dobbelaere-Hulin en zijn zoon Pierre-Paul, Jules de Hemptinne, Alfred Baertsoen, Theophiel De Landtsheer, Alfred De Lanier en Albert De Porre tekenen hier gretig op in. Ook Charles de Smet de Naeyer, voorzitter van de invloedrijke liberale Cercle Commercial et Industriel, neemt tot zijn overlijden in 1877 het (gedeeld) erevoorzitterschap op zich.4 Hierdoor wordt een rechtstreekse connectie gemaakt met het mutualiteitswezen. Als medestichter en bezieler van de Mutualité du Commerce et de l’Industrie had Charles de Smet de Naeyer een vangnet gecreëerd voor werknemers uit de middenklasse wiens inkomen te klein was om echt te sparen, maar te groot om aanspraak te kunnen maken op de klassieke liefdadigheidskanalen. Zijn Mutualité wou voor die specifieke doelgroep, naar analogie met de Brusselse Compagnie belge des Employés réunis, ondersteuning bieden in geval van werkloosheid, ziekte of overlijden. Dubbel lidmaatschap kan helaas niet worden gecontroleerd maar lijkt plausibel. In 1889 richt Nijverheid en Wetenschap een eigen hulpfonds op dat eenzelfde ondersteuning biedt.5
De stevige financiële basis trekt ook gereputeerde lesgevers aan, zoals fotograaf Edmond Sacré die jarenlang via een afdeling ‘fotografie’ zijn kennis deelt, of beeldhouwer Domien Inghels die een nieuwe generatie interieurontwerpers begeestert.
De steun vanuit het patronaat wordt ook weerspiegeld in de huisvesting van Nijverheid en Wetenschappen. Begonnen in een café aan de Koornlei en vervolgens in het koffiehuis Minard, kan Spilthoorn het ruime Hotel van Kortrijk in de Drabstraat kopen. Eindigen doet de vereniging op het Sint-Annaplein in het gebouw van de latere cinema Studio Skoop.
De jaarverslagen van de vereniging houden het midden tussen een klassieke kroniek van bestuur, leden en werkzaamheden enerzijds en een catalogus anderzijds. De resultaten van de gedane arbeid of studie komen immers in een Kunst- en Nijverheidskabinet terecht, een soort permanente tentoonstelling. Jaarlijks volgt daarop een prijskamp waarbij een jury medailles, diploma’s en aanmoedigingsprijzen uitreikt. Deze inzendingen en prijzen worden per categorie opgesomd in een 20 à 30 bladzijden lange lijst én vinden consequent hun weg naar de pers, waar zowel de verschillende liberale kranten als de socialistische Vooruit vol lof de resultaten overnemen. Tijdschriften met een liberaal-culturele signatuur becommentariëren de wedstrijden en de jaarverslagen vol enthousiasme en bieden de vereniging zo een bijkomend forum.6
Voorbeelden strekken. In Antwerpen wordt in 1877 Antwerpen’s Rubenskring opgericht, die zichzelf omschrijft als de zustermaatschappij van Nijverheid en Wetenschappen. Datzelfde jaar nog brengt de Rubenskring een bezoek aan Gent, met op het programma een bedrijfsbezoek aan de grote vlasfabriek La Lys, het Jongensweeshuis op de Martelaarslaan en de wintertuin van burgemeester Charles de Kerchove, om af te sluiten met een bezoek aan de fabriek van Jules de Hemptinne, erevoorzitter van Nijverheid en Wetenschappen.7
De harmonie overleeft
De Maatschappij verliest na de eeuwwisseling langzaamaan zijn relevantie en overleeft uiteindelijk de Eerste Wereldoorlog niet. Enkel de harmonie, opgericht in 1888 door Rodolphe Monnier, blijft bestaan en is nog tot de jaren 1950 een welgekomen gast op feesten en festivals. Alfons Colle, boegbeeld van de jonge liberale vakbond ACLVB, is de laatste voorzitter.8
Het erfgoed van Nijverheid en Wetenschappen
Wat rest aan archief van zowel de Maatschappij9 als de Harmonie10 kwam grotendeels in Liberas terecht en biedt, samen met wat de Gentse universiteit erover bezit, een behoorlijk volledig overzicht voor de periode 1864 tot 1914. De gepubliceerde jaarverslagen en catalogi zijn in het verleden verdeeld geraakt tussen Liberas en de UGent en vormen de basisdocumentatie voor deze tekst. De geschilderde portretten van de dignitarissen worden bewaard in het STAM.
In 2024 digitaliseerde Liberas de bij hen bewaarde jaarverslagen en ook de UGent digitaliseerde een aantal catalogi. Daarnaast bevindt zich behoorlijk wat correspondentie van de Maatschappij in archieven van derden. Briefwisseling met het Willemsfonds Algemeen Bestuur11, het Willemsfonds Gent12 en het Van Crombrugghe’s Genootschap13 is grotendeels online beschikbaar.
Bronnen, noten en/of referenties
1. In het archief van de Maatschappij wordt zowel de naam Maatschappij tot bevordering van … als de naam Maatschappij ter bevordering van … gebruikt.
2. ‘Maatschappij tot bevordering van nijverheid en wetenschappen’, in: De Vlaamsche School, 13 (1867): 21-22; Maatschappij tot bevordering van nijverheid en wetenschappen te Gent. Verslag over de werkingen der maatschappij van hare stichting tot op heden 1864-1869 (Gent: Dullé-Plus, 1869); Bart Laureys, ‘Openbare bibliotheken in Gent (1891-1920)’ (licentiaatsverhandeling, Rijksuniversiteit Gent, 1987), 186-201.
3. Camiel Imbrouck, Over maatschappelijke belangen. Volksvoordracht gehouden in de Maatschappij ter bevordering van nijverheid en wetenschappen (Gent: Vanderhaeghen, 1878); Jaarboekje der Maatschappij tot bevordering van nijverheid en wetenschappen. 23e jaargang 1887 (Gent: Annoot-Braeckman, 1887) 36-60; Bart D’hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat. Gids door 150 jaar liberaal leven in Gent (Gent: Uitgeverij Snoeck ism Liberaal Archief vzw, 2014) 76-77.
4. Emile Bedinghaus, La Mutualité du Commerce et de l’Industrie de Gand. XXVième anniversaire de sa fondation. Discours prononcé à la mémoire de Charles de Smet de Naeyer (Gent: C. Annoot-Braeckman, 1890).
5. La Mutualité du Commerce et de l’Industrie de Gand à son regretté président M. Emile Bedinghaus, 7 mars 1904 (Gent: P. Allaert, 1904).
6. e.g. De Eendracht. Wekelijks tijdschrift voor Schoone Kunsten, Letteren, Onderwijs en Wetenschappen, 32, nr.3-5 (26 juli 1877-9 augustus 1877); De Vlaamsche Kunstbode, 6, (1876): 134-135; ‘Maatschappij tot bevordering van Nijverheid en Wetenschappen’, in: Gent Voorwaarts/ Gand en Avant, 2, nr. 28 (15 april 1899): 4.
7. De Eendracht. Wekelijks tijdschrift voor Schoone Kunsten, Letteren, Onderwijs en Wetenschappen, 32, nr. 40 (21 september 1878); Antwerpen’s Rubenskring (1877). Algemeen verslag (Antwerpen: Buschman, 1884).
8. Koninklijke Harmonie Nijverheid en Wetenschappen - Veertigste verjaring 1888-1928 (Gent: Rob. Colier, 1928).
9. Liberas, Archief Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid en Wetenschappen (Gent) (archief nr. 1595).
10. Liberas, Archief Harmonie Nijverheid en Wetenschappen (Gent) (archief nr. 229).
11. Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10).
12. Liberas, Archief Willemsfonds Gent (archief nr. 166).
13. Liberas, Archief Van Crombrugghe’s Genootschap (Gent) (archief nr. 9)