Zeker na de publicatie van De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience groeit de Guldensporenslag uit tot een heus symbool. De Willemsfondsers laten zich door de roman inspireren en voeren actie om 11 juli als een nationale feestdag te laten erkennen. Die erkenning komt er uiteindelijk wel, maar niet zonder slag of stoot. Bij momenten is de herdenkingsdag eerder een symbool van Vlaamse verdeeldheid dan van eenheid. Het verhaal laat het Willemsfonds doorheen zijn 175-jarige geschiedenis niet onberoerd. Tot op heden grijpt de cultuurvereniging het moment aan om op die dag expliciet naamgever Jan Frans Willems letterlijk in de bloemen te zetten met een herdenking aan zijn monument in Boechout.1

De Leeuw van Conscience

Het boek De Leeuw van Vlaanderen verschijnt in 1838, 13 jaar voor het Willemsfonds wordt opgericht. De Vlaamse Beweging staat nog in haar kinderschoenen. Ze kan vooral rekenen op de inzet van letterkundigen, die elkaar vinden in literaire gezelschappen die nog vrij elitair zijn opgevat.2 Met zijn uitgave mikt Conscience op een breder publiek. Het boek verschijnt niet onopgemerkt. In de krant Standaerd van Vlaenderen verschijnt onder de rubriek Antwerpen het volgende: 

‘Den letterkundigen Hendrik Conscience, schryver van het Wonderjaer en der Phantazy, lid van verscheyde letterkundige genootschappen, komt een nieuw werk uyt te geéven, getyteld: De Leeuw van Vlaenderen of de Slag der Gulden-Sporen (1303) een historisch tafereel in dry boekdeelen. Wy hoopen dat dit nieuw werk van onzen geleerden stadsgenoot niet min gunstig als zyne voorigen door alle de vrienden der Vlaemsche taal zal onthaeld worden. “Ik heb gevoeld, zegt den schryver, hoe zeer het, tot het daerstellen eener waere letterkunde, noodig was, eenige schriften van langeren adem uyt te geéven; en heb het gewaegd dry boekdeelen te gelyk onder de pers te leggen. Ik streel my met de hoop dat myne landgenooten my in dezen gevaerlyken stap zullen ondersteunen, op dat my den moed bij zulke gewigtige pooging niet ontvalle.”’3

Conscience begint met dit boek aan een ware veroveringstocht. 70 jaar na de verschijning kijkt Het Volksbelang achterom: 

‘Aan hem is’t te danken, dat gedurende jaren en jaren de hut van den boer, het huisje van den werkman, de achterkamer van den winkelier, de woning van den Vlaming op zekere oogenblikken stil en aandachtig werd, omdat er daar iets gebeurde dat aan de gemelijke stem der gewone zorg het zwijgen opdrong, omdat er uit den Leeuw van Vlaanderen werd voorgelezen. De kleine knaap, die toen zijn slaaplust vergat om op den Groeninger-Kouter mee te vechten, en ’s anderendaags zijn vader vroeg om “nog ne keer te lezen van Breydel en de Coninck”, was in vele gevallen de onderwijzer die later jaar in, jaar uit een geheele klas deed trillen bij hetzelfde; of eenvoudig de vader die op de bibliotheek van het Willemsfonds, Davidsfonds of van Vooruit om de Leeuw van Vlaanderen ging, en op zijn beurt aan het volgend geslacht iets van dat gevoel meedeelde, dat het levensbrood is van elk volk: het stamgevoel.’4

Dit was maar al te waar. In de bibliotheken van het Willemsfonds waren meestal meerdere exemplaren te vinden van Consciences bestseller.5

Het gegeven van de Guldensporenslag zelf en de overwinning van de Vlamingen op de Fransen keert na publicatie van de roman ook op andere plaatsen in de toenmalige Nederlandse literatuur terug. In die jaren zien de Vlaamsgezinden het immers nog vooral als een strijd tegen Frankrijk en plaatsen het binnen het idee van de groei van de Vlamingen binnen de jonge Belgische staat. Zo publiceert Jacob Heremans (later voorzitter van het Willemsfonds) in het Nederduitsch Letterkundig Jaarboekje 1847 zijn gedicht ‘Op den Groeninger Kouter’.6 Ook algemeen secretaris Julius Vuylsteke benoemt de Guldensporenslag in zijn beroemd geworden gedicht Klauwaard en Geus. Onder deze leuze kiest Vuylsteke ondubbelzinnig voor een samengaan van Vlaamsgezindheid en liberalisme waarmee hij zijn geloof in een ‘neutrale’ Vlaamsgezinde strekking opgeeft en zich tegelijkertijd profileert tegen katholieke flaminganten:

‘“In Vlaanderen Vlaamsch” moet het worden!

“Vlaandren den Leeuw!”

“Wat Walsch is, is valsch”

Klauwaard, uw schreeuw

Sa, weg met het Walsch!

Verjaagde eens de vreemde horden.’7

Langzamerhand groeit ook het idee om 11 juli een duidelijker symboolfunctie te geven. Ongeveer in de periode dat het gedicht Klauwaard en Geus verschijnt, stuurt een milde schenker een brief naar het Willemsfonds: ‘Ter gelegenheid van den verjaardag van de Guldensporen-slag, 11 juli 1302, zend ik, ingesloten tien francs aan het bestuur van het Willemsfonds.’8

In 1912 verscheen bij uitgeverij J. Lebègue  een 30-delige jubileumuitgave van de werken van Hendrik Conscience (Liberas)

In 1912 verscheen bij uitgeverij J. Lebègue een 30-delige jubileumuitgave van de werken van Hendrik Conscience (Liberas).

Briefkaart aan het Willemsfonds betreffende een donatie ter gelegenheid van 11 juli 1869

Breidel en De Coninc

In Brugge krijgt intussen een initiatief vorm om twee hoofdrolspelers uit Conciences verhaal, ‘Pieter De Coninc’ en ‘Jan Breidel’, met een gedenkteken te eren. Julius Sabbe, liberaal flamingant en actief Willemsfondslid, speelt een belangrijke rol in dit comité. Sabbe richt het tijdschrift De Halletoren op en zorgt voor sensibilisering bij de Willemsfondsleden. Eind november 1874 bijvoorbeeld spreekt hij over het thema bij de Gentse afdeling. Enkele weken later houdt Willemsfonds Antwerpen een ‘buitengewone zitting ten voordele van het Brugsche gedenkteeken’.9 Het Willemsfonds zet de daaropvolgende jaren mee de schouders onder de actie voor de oprichting van het standbeeld op de Brugse Grote Markt.

Het duurt nog tot 1887 vooraleer de inhuldiging plaatsvindt. Dit gebeurt niet zonder slag of stoot: er vinden immers festiviteiten plaats op zowel 11 juli als 15 augustus. Op de herdenkingsdag van de Guldensporenslag zijn volgens een pamflet de Clauwaerts aan zet (de Vlaamsgezinde verenigingen) terwijl een maand later de Leliaerts zich rondom het standbeeld verzamelen (Consciences symboliek is herkenbaar).10 Het Willemsfonds steunt de eerste bijeenkomst. Julius Sabbe zet alles nog eens op een rij in een brief van 22 juni 1887: 

‘Wij hebben een plan opgevat, dat tot eere zou strekken van het Willemsfonds en tot luister van de groote Breidel-betooging van 11 Juli aanstaanden. Dat waren van in onzen grooten stoet, die nu reeds uit 123 maatschappijen bestaat, geheel het Willemsfonds compact en zichtbaar voor ’t publiek vertegenwoordigd te hebben. Wij zouden er één groep van maken. Aan ’t hoofd zou gaan de Vlag der Brugsche afdeeling, dan volgt het Algemeen Bestuur met een Kartel en (kan dat zijn?) eene lauwerkroon voor ’t gedenkteeken of wel een groot palmblad. Daarna zouden compact geschaard worden de 37 schilden der Afdeelingen allen dragend: Willemsfonds en de naam der plaats.11

Het enthousiasme voor 11 juli en het idee dat dit een belangrijke dag is voor de Vlaamse Beweging neemt de daaropvolgende jaren zienderogen toe. Het leeft over de ideologieën heen. Vooral het Algemeen Nederlandsch Verbond zet zich eind negentiende eeuw  in voor de promotie van de Guldensporenherdenking. De afdelingen van het Willemsfonds gaan daar elk op hun eigen manier mee om. Uit Antwerpen komt in 1893 de vraag aan het Algemeen Bestuur om de afdelingen aan te zetten om 11 juli te motiveren ‘opdat die dag een nationale feestdag worde in gansch Vlaanderen’.12 De Vlaamsche Jonge Wacht van het Willemsfonds Gent organiseert twee jaar later een herdenkingsfeest naar aanleiding van 11 juli: ‘In dezen tijd van ontzenuwende verslapping is het meer dan noodig hulde te brengen aan den mannenmoed der vaderen, en daarin les en leering te putten, om daarna met krachtdadige overtuiging den strijd aan te gaan voor de Vlaamsche en vrijzinnige beginselen.’ Die laatste nuance is voor hen niet onbelangrijk. De liberale Vlaamsgezinden zien zich immers langzamerhand overvleugeld: ‘Nu vooral dat de katholieken, hier en elders, van het herinneringsfeest van den Gulden Sporenslag een uitsluitend katholiek feest maken, is het de plicht van elken liberalen Vlaming deze vriendenbijeenkomst bij te wonen.’ Het pamflet eindigt met een motiverende leuze: ‘In Vlaanderen Vlaamsch en - Clauwaert en Geus!’13 Willemsfonds Brugge bouwt eveneens op dit elan verder. Tien jaar na de inhuldiging van het standbeeld noteert de afdeling in het jaarverslag: ‘Onze kring blijft van oordeel dat het vieren van den 11 juli als nationalen feestdag moet ondersteund en uitgebreid worden tot onderhoud en aankweeking van gezonde vaderlandsliefde.’14 

600 jaar Guldensporenslag

De viering van de zeshonderdste verjaardag van de Guldensporenslag in 1902 biedt kansen om de handen in elkaar te slaan en een wens in realiteit om te zetten. Het Willemsfonds heeft zich bij de eeuwfeestherdenking van de Boerenkrijg in 1898 de kaas van het brood laten eten door het katholieke Davidsfonds.15 In kringen van vrijzinnige flaminganten is de motivatie nu groot om zich niet in de hoek te laten drummen. De mobilisatiekracht van het Willemsfonds is evenwel beperkt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld die van het Davidsfonds. De vereniging besluit daarom alles in te zetten op de uitgave van een mooi boekwerk. Ze neemt Victor Fris onder de arm, een gerespecteerd historicus en leraar aan het Koninklijk Atheneum te Oostende. Onder de titel Vlaanderens Vrijmaking in 1302 schrijft hij een nauwkeurige en wetenschappelijk onderbouwde analyse van de gebeurtenissen op de Groeningekouter. Hoewel het als ondertitel ‘Een Volksboek’ krijgt, is het werk eerder historisch-wetenschappelijk opgevat, weinig motiverend en voor heel wat lezers een maat te hoog gegrepen. Bovendien loopt de productie van het werk niet van een leien dakje. Het boek verschijnt met vertraging en bijkomende distributieproblemen leiden tot onvrede.16 Op aangeven van onder anderen Leo Augusteyns uit Antwerpen vat het Willemsfonds het plan op om een kleine ‘volksbrochure’, gebaseerd op het ‘volksboek’ van Fris, uit te geven. De prijs moet laag zijn (vijf centiemen) en het volume beperkt (zestien pagina’s). Bestellingen in de bewaarde correspondentie tonen de interesse van de Willemsfondsafdelingen. Maar er blijft een mysterie: van die brochure is nauwelijks een exemplaar bewaard.17

Met de geplande herdenkingsviering te Kortrijk loopt het eveneens mis. Reeds twee jaar eerder stond het Willemsfonds in contact met het Davidsfonds om de feestelijkheden rond 1302 openbaar te maken voor ‘alle stamgenooten, zonder onderscheid van denkwijze’.18 De intenties mogen dan al goed zijn, in de praktijk blijkt het moeilijk om over de eigen grenzen heen te stappen. Het opstellen van een voor iedereen aanvaardbaar programma leidt tot stevige discussies en tot aparte herdenkingen. Dit gaat niet onopgemerkt voorbij aan diegenen die het idee van die herdenking maar niets vinden. Auteur Maurice Maeterlinck vindt het nodig om nog wat zout in de wonden te strooien. Hij publiceert een week voor 11 juli een hoofdartikel in de Franse krant Le Figaro onder de veelzeggende titel ‘Commémoration inutile’ en schudt zo ook de Fransen wakker.19

De verdeeldheid van de Vlamingen heeft tot gevolg dat ieder zowat zijn eigen weg gaat. Er vinden die zomer vieringen plaats van de Vlaamsche Volksraad (13 juli 1902), het liberale Vaderlandsch Comiteit (13 juli 1902), het katholieke Nationaal Comiteit (17 augustus 1902) en tot slot een socialistische bijeenkomst (31 augustus 1902).20 Het Willemsfonds steunt volop de viering van het Vaderlandsch Comiteit en verspreidt de directieven die de organisatoren geven: ‘Ten einde aan onze betooging haar Vaderlandsch-vredelievend en grootsch karakter, ongeschonden te bewaren, verzoeken wij eenieder ten vriendelijkste zich te willen onthouden van het zingen van politieke liederen.’21 Achteraf is telkens het enthousiasme groot: 

‘Het onverhoopt en buitengewoon succes van het door en door Vlaamsch feest van 13 Juli is nog in aller geheugen; onze afdeeling had er zich onvoorwaardelijk en geestdriftig bij aangesloten, nog onder den ontmoedigende indruk van hare opgedrongen verwijding van de officiële feesten. Het zal een eeuwige vlek blijven voor de halfslachtige Vlamingen, die de verbroedering tegengewerkt hebben welke onzen geheelen Nederlandschen stam in een band moest vereenigen op het slagveld waar zijne toekomst gevestigd werd, waar ons Vaderland zijn bloedig doopsel ontving.’22

Het blijft een merkwaardig schouwspel, zo noteren historici later. H.J. Elias schrijft in zijn Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte: 

‘De Vlamingen schenen aldus wel in het bezit te zijn van een nationale feestdag, maar niet bij machte om er een nationale inhoud aan te geven of deze feestdag te zien als een symbool van eigen volksbestaan, waaraan verder geen precieze, historische inhoud moest gegeven worden.’23

En bij het 700-jarige eeuwfeest van de Guldensporenslag blikt historicus Jo Tollebeek honderd jaar terug: 

‘Het eeuwfeest van 1902 illustreerde hoezeer de geschiedenis kon worden gebruikt als een wapenkamer, waarin iedereen het nodige kon vinden om het eigen gelijk in de eigentijdse politieke discussies kracht bij te zetten. Voor de manifestanten van de Vlaamsche Volksraad was de Guldensporenslag van de Vlaamse, nationale eenheid geweest, voor de liberalen (door de Franse loges onder druk gezet hun optreden te matigen) een strijd voor de vrijheid, voor de katholieken óók een strijd voor het geloof, voor de socialisten ten slotte de belichaming van het verlangen naar een grotere sociale rechtvaardigheid. De Guldensporenslag was in 1902 gerecupereerd door nationale en levensbeschouwelijke bewegingen en partijen, die uitbundig vierden wat zij meenden dat er moest worden gevierd.’24

Het lijkt er evenwel op dat de verdeeldheid van 1902 de ogen opent. De daaropvolgende jaren wint de herdenking van de Guldensporenslag aan belang. De oproep om er een heuse feestdag van te maken weerklinkt steeds luider. In 1908 vindt in Antwerpen een heel geslaagde Guldensporenherdenking plaats. Een verslaggever van de Rotterdamsche Courant heeft het goed bekeken: 

‘Men is hier stellig besloten, gezien het welgelukken van het feest en den indruk dien het op het publiek teweeggebracht heeft op den dit jaar ingeslagen weg voort te gaan. Men hoopt het eens zoover te brengen dat in heel het Vlaamsche land de 11e Juli als een tweede nationale feestdag beschouwd zal worden en dat er geen gemeente zal zijn die er niet officieel aan deelneemt.’25 

Lokale Willemsfondsafdelingen nemen aan herdenkingen deel of organiseren zelf feesten en bijeenkomsten op 11 juli.

Twee sporen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog staat de bezetter weinig feestvreugde toe. Nadien krijgen de Guldensporenvieringen opnieuw vorm. Er zijn wel flinke verschillen wat de invulling betreft. Er is sprake van meer officiële vieringen enerzijds en meer militante bijeenkomsten anderzijds. Dit weerspiegelt de tegenstelling tussen gematigden en radicalen. Het Willemsfonds kiest daarbij uitdrukkelijk voor de meer gematigde variant. Interessant in dat verband zijn affiches met programma’s van de 11 juli-herdenkingen van Willemsfonds Tienen, die vrij goed bewaard zijn voor het interbellum. Naast gematigdheid is er toch ook variatie waarneembaar. In 1924 is letterkundige Emiel Buskens de feestredenaar en is er een opvoering van de cantate Moederweelde. De bijeenkomst is wel expliciet ‘voorbehouden aan liberale maatschappijen’. Vijf jaar later staat literair verteller Abraham Hans als spreker op de agenda. 

De affiche voor het Plechtig Sporenfeest in Tienen (1930) valt dan weer meteen op door de tricolore band. Dit heeft wellicht te maken met de viering van het honderdjarig bestaan van België dat jaar. Tegelijkertijd toont het aan dat voor Willemsfondsers Vlaanderen nog steeds gerust verder kan onder de Belgische vlag, wat op andere Guldensporenvieringen in die jaren door meer radicale groeperingen eerder betwist wordt. Merkwaardig genoeg is de gastspreker in 1930 Louis Boeckx, liberaal volksvertegenwoordiger die het amnestievoorstel van Frans Van Cauwelaert heeft gesteund, en niet meteen meer in de bovenste schuif ligt bij de Franstalige partijbonzen. Het jaar erop is de affiche van het Tiense Plechtig Sporenfeest getooid met een kleiner tricolore bandje, maar het is er nog wel. Feestredenaar van dienst is de eerder onbekende voorzitter van het Oudstrijdersverbond NSB, Maurits De Praetere. Een jaar later is er een topaffiche met Julius Hoste jr. die komt spreken over vrede en volkenrecht. De Willemsfondsafdeling loopt op eieren, en dat lijkt voor de hele vereniging wel wat het geval te zijn.26

Samen sterk, één natie

Na de Tweede Wereldoorlog heeft het Willemsfonds het moeilijk om weer op het terrein te komen. Guldensporenvieringen staan nog niet meteen heel hoog op agenda. Met de viering van 650 jaar Guldensporenslag zijn er wel contacten met het Nationaal Guldensporencomité dat voor die gelegenheid is opgericht. De initiatiefnemers beklemtonen nogmaals dat ‘11 Juli, indien niet officieel, althans door ons volk, wordt gevierd als onze Vlaamse nationale hoogdag’.27 Het Volksbelang, intussen eerder spreekbuis van het Liberaal Vlaams Verbond maar in zekere zin toch ook nog van het Willemsfonds, ziet 11 juli nog steeds als een nationale feestdag. Het blad roept op tot eenheid: ‘Het ware wenselijk dat hij van jaar tot jaar met meer luister zou gevierd worden en dat de Vlamingen op deze dag alles zouden vergeten wat hen scheidt om zoals de gemeentenaren van 1302 te overwegen dat enkel door eensgezinde acties iets groots kan tot stand komen.’28

Het Willemsfonds is in die geest meteen enthousiast bij de oprichting van het Nationaal Guldensporencomité eind 1963. Gegroeid vanuit de Economische Raad voor Vlaanderen, verenigt het comité naast de drie cultuurfondsen Davidsfonds, Willemsfonds en Vermeylenfonds nog enkele andere partners om 11 juli de nodige uitstraling te geven.

Na het verwerven van de culturele autonomie in 1970 blijft het Willemsfonds deze filosofie trouw. Op 6 juli 1973 wordt 11 juli erkend als de eigen feestdag van de Nederlandse Cultuurgemeenschap. Vijftien jaar later is het de feestdag van de Vlaamse Gemeenschap. De Willemsfondsafdelingen organiseren lokale vieringen. Ze doen dit in beperkte kring of sluiten aan bij andere Vlaamsgezinde verenigingen. In de jaren 1970-1980 grijpt het nationaal bestuur 11 juli aan om een standpunt in de verf te zetten, maar blijft gematigd in zijn houding. De speeches die op de bijeenkomsten worden gehouden, zijn eerder beschouwend en neutraal.

Eén keer stuurt het Willemsfonds een iets scherpere motie de wereld in. Tijden de 11-juliviering 1992 verstoren enkele jongeren ‘die zich vereenzelvigden met het Vlaams Blok’ het optreden van Willem Vermandere. In een officiële mededeling stelt het Willemsfonds: 

‘Een dergelijke, gewelddadige actie druist in tegen de fundamenten van een democratische samenleving en tegen de essentie van de Vlaamse Beweging die een emancipatiebeweging van en voor het Vlaamse volk is. Emancipatie veronderstelt verdraagzaamheid t.o.v. andermans mening, artistieke vrijheid, openheid, het recht op vrije meningsuiting in geschreven, gesproken of gezongen taal. (…) Het Vlaanderen van morgen zal bovendien een tolerant en pluralistisch Vlaanderen moeten zijn met eerbied voor eenieder die onze wetten en gebruiken eerbiedigt.’29 

Deze zinnen sturen nog altijd de koers van het huidige Willemsfonds. Het is in die geest dat jaarlijks op 11 juli nog een herdenking en neerlegging van bloemen plaatsvindt aan het monument van naamgever Jan Frans Willems in Boechout of dat nationaal en lokaal gemeenschappelijke vieringen worden ingericht in het licht van een Vlaamse Nationale Feestdag.

Van Guldensporenslag tot nationale feestdag

Van Consciences roman tot de mogelijke erkenning van 11 juli als een betaalde feestdag voor iedereen. Het is een lange weg die is afgelegd. De datum is  geclaimd door liberalen en katholieken, door gematigden en radicalen, door een jonge natie op zoek naar symbolen en een gemeenschap die haar plaats binnen België herdefinieert. Precies daarin schuilt de blijvende waarde van de Guldensporenherdenking: niet als een vaststaand feit, maar als een spiegel die telkens toont waar de Vlaamse Beweging op dat moment voor stond, en waarover ze het oneens was.

Deze tekst is gebaseerd op een lezing, gehouden op uitnodiging van Willemsfonds Putte op 11 juli 2026, tijdens een gemeenschappelijke herdenkingsbijeenkomst georganiseerd door Willemsfonds Putte, Davidsfonds Putte en VVB Zuiderkempen.

Bronnen, noten en/of referenties

1    Deze tekst is gebaseerd op een publiekslezing en is in opzet beperkt. Een onderbouwd en uitgebreid overzichtsartikel van de thematiek die in dit verhaal aan bod komt, is: Jo Tollebeek, ‘De cultus van 1302: twee eeuwen herinneringen’, in: 1302. Feiten en Mythen van de Guldensporenslag, ed. Raoul C. Van Caeneghem, (Antwerpen: Mercatorfonds, 2002) 195-239.

2    Zie hierover bijvoorbeeld https://www.liberas.eu/nl/stories/de-tael-is-gansch-het-volk 

3    Standaerd van Vlaenderen, 24 juni 1838, Openbare Bibliotheek Brugge.  

4    Het Volksbelang, 18 juli 1908. 

5    Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.3.391. Verslag van de commissievergadering 20 januari 1865 van Commissie van toezicht der volksbibliotheek - Willemsfonds brief 1865, 21 januari 1865.

6    J.F.J. (Jacob) Heremans, ‘Op den Groeninger Kouter, juli 1846’, in: Nederduitsch Letterkundig Jaerboekje voor 1847. Veertiende Jaergang (Gent, [1847]). 

7    Julius Vuylsteke, ‘Klauwaard en Geus’, in: Klauwaard en Geus. Bloemlezing uit de politieke prozaschriften en gedichten van J. Vuylsteke (Gent: Julius Vuylstekefonds, nr. 1, 1905): 227-228.

8    Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.7.1228. Brief van [E. P.] onbekend, 11 juli 1869.

9    Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.17.3026. Omzendbrief van B. Block en M. Rooses (Willemsfonds-Gent) aan Gentse leden, 20 oktober 1874; OWF / B / 2.18.3137. Strooibiljet van het Willemsfonds-Antwerpen, [20 december 1874].

10  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.60.270. Omzendbrief van Breidelcommissie (Brugge) aan het Willemsfonds, 20 februari 1887.

11  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.60.475. Brief van Julius Sabbe (Brugge) aan het Willemsfonds, 22 juni 1887.

12  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.83.1338. Brief van Flor Van der Ven (Antwerpen) aan Willemsfonds, 4 augustus 1893.

13  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.90.417. Omzendbrief van J. Sanglet, Pol Anri, Vlaamsche Jonge Wacht van het Willemsfonds aan Willemsfonds, 3 juli 1895.

14  Liberas, Archiefcollectie Willemsfonds Jaarverslagen (archief nr. 2121), 2. Jaarverslagen Willemsfonds West-Vlaanderen, AC_JV_0178.

15  Christoph De Spiegeleer, ‘De Boerenkrijg in context. 225 jaar feiten en beeldvorming’, in: Volkskunde, 125, nr. 1 (januari-april 2024): 21-47.

16  Victor Fris, Vlaanderens vrijmaking in 1302. Een volksboek (Gent: Willemsfonds, nr. 146, 1902). Zie ook: ‘Guldensporenslag en Transvaal’, in: Brievenboek Willemsfonds 175 jaar (Gent: Liberas, 2026) 156-157.

17  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), diverse brieven. Zie ook: ‘Brochure van vijf centiemen’, in: Brievenboek Willemsfonds 175 jaar (Gent: Liberas, 2026) 152-153.

18  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.108.962. Brief van Frans De Potter, Davidsfonds (Leuven) aan Willemsfonds, [?] februari 1900.

19  Le Figaro, 5 juli 1902 (geconsulteerd via gallica.bnf.fr ).

20  Een mooie schets uit eerste hand is: ‘De 600ste verjaardag van den Guldensporenslag’ in: Paul Fredericq, Schets eener geschiedenis der Vlaamsche Beweging (deel 2), (Gent: Vuylsteke, 1906-1909) 314-328.

21  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), OWF / B / 2.117.539. Omzendbrief van Vaderlandsch Comiteit, afdeling Kortrijk, De Ridder (ere-voorzitter), R. Vande Venne (voorzitter), H. Reyntjens (onder-voorzitter), H. Samay en A. Thibau (schrijver) aan het Willemsfonds Hoofdbestuur, juli 1902.

22  Liberas, Archiefcollectie Willemsfonds Jaarverslagen (archief nr. 2121), 2. Jaarverslagen Willemsfonds West-Vlaanderen, AC_JV_0220.

23  Hendrik Jozef Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte (deel 4) (Antwerpen: Nederlandsche Boekhandel, 1963-1965) 279.

24  Jo Tollebeek, ‘Het laatste eeuwfeest. Over de herdenking van de Guldensporenslag’, in: Ons Erfdeel (2002): 547-560.

25  Rotterdamsche Courant, 14 juli 1908 (geconsulteerd via delpher.nl).

26  https://n2t.net/ark:/55068/LAG_1230263, https://n2t.net/ark:/55068/LAG_1230073, https://n2t.net/ark:/55068/LAG_1229919, https://n2t.net/ark:/55068/LAG_1227033, https://n2t.net/ark:/55068/LAG_1227420.

27  Liberas, Archief Hans Van Werveke (archief nr. 729), 13.18.1. De Gulden Spoor. Mededelingenblad van het Nationaal Guldensporencomité, april 1951, 1, p. 1.

28  Het Volksbelang, 76, nr. 28 (11 juli 1953).

29  Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur (archief nr. 10), NWF / 1266. Petities/moties/persmededelingen, 15.7: motie over de verstoring van de 11 juli-viering te Brussel door extreem-rechts door Yvette Bützler-Vanneste, algemeen ondervoorzitter van het Willemsfonds.

Uit onze collectie in de kijker

UITGELICHT

Datum
1947

Viering van 50 jaar Turnvereniging Sparta

Viering van 50 jaar Turnvereniging Sparta De optocht door de straten van Ninove (h: 238 mm, b: 177 mm) 17/8/1947

Datum
1908

Grand Prix van Dieppe 1908

Grand Prix van Dieppe 1908 Henri Cissac en Jules Schaube in hun Panhard-Levassor (h: 170 mm, b: 120 mm) 7/7/1908

Datum
1955

Het Willemsfonds Boom op reis naar Londen

Het Willemsfonds Boom op reis naar Londen Informele beelden tijdens het bezoek aan Londen (h: 90 mm, b: 63 mm), (h: 110 mm, b: 80 mm) 1955