Een barre winter
Op de dag voor kerstdag 1855 roept een klein groepje burgers uit de middenklasse een nieuw filantropisch project in het leven, de Zonder Naam niet Zonder Hart. In die sector, zwaar gedomineerd door de Kerk, komt het liberale initiatief als een verrassing. Joseph Callebaut, Isidore Van Doosselaere, Jean De Vriendt en Gustaaf Coryn brengen, met de steun van enkele liberaalgezinde industriëlen en andere financiers, een eerste budget samen om in de koude winter van 1855-1856 voedsel en kleding te kopen voor de behoeftige gezinnen met kinderen in de stedelijke bewaar- en lagere scholen. Callebaut, een kleermaker die in 1838 ook betrokken was bij de stichting van De Melomanen, wordt de eerste voorzitter. Het succes van dit initiatief trekt een nog grotere groep mecenassen over de streep en het werkingsveld breidt snel uit. In 1857 verwerft de Liberale Associatie onder leiding van Charles de Kerchove opnieuw een meerderheid in de gemeenteraad en legt een nadrukkelijk seculariserend programma op tafel. De keuze van het stadsbestuur voor een geprefereerde filantropische partner ligt dan ook voor de hand. De Zonder Naam krijgt vanaf dan een voorkeursbehandeling op het vlak van vergunningen en subsidies waardoor ze al snel kan overstappen van noodhulp naar structurele hulp. De input van grote financiers en ervaren bedrijfsleiders maakt vervolgens van de Zonder Naam met voorsprong de belangrijkste liefdadige kring van de stad1.
Nieuwjaarskaart (1894) van bode August De Stoop aan de bestuursleden van de Zonder Naam.
In 1861 komt de textielbaron Ferdinand Dierman-Seth (1818-1881) aan het hoofd van de Zonder Naam te staan, die de zaken onmiddellijk groots aanpakt. De inkomsten stijgen naar meer dan tienduizend frank per jaar en ook de giften in natura nemen een hoge vlucht. Voedingsmiddelen, kleding, meubelen en bonnen voor de aankoop van allerhande kruidenierswaren komen in de magazijnen van de Zonder Naam terecht en vinden hun weg naar de noodlijdenden. De initiatieven rond de verdeling van steenkool zijn een van de eerste paradepaardjes. Dierman kan een contract onderhandelen met de Société civile des Usines et mines de houille du Grand-Hornu, waar Henri de Gorge en zijn nazaten een internationaal erkend voorbeeld van ondernemerschap hand-in-hand met filantropie hadden gerealiseerd2. Uit deze mijn vertrekt tussen 1860 en 1872 bijna tweehonderd ton steenkool richting de Gentse Zonder Naam. Vijftig jaar later neemt een Gentse liberale coöperatieve, een spin-off van de Laurentkring Vrijheidsliefde die eveneens kolen distribueert onder haar leden, deze mecenaatsrol over en brengt voor de Zonder Naam steenkoolpenningen in omloop3.
Benefietvoorstellingen, bals, collectebussen in herbergen en tijdens stoeten of concerten op de Kouter, tentoonstellingen en tombola’s vullen de kassa van de Zonder Naam verder aan. Ook het stedelijk onderwijs profiteert van die kapitaalstroom. Er is geld ter ondersteuning van de bouw van een lagere school in de Machariuswijk nabij de Dampoort en jarenlang worden studiebeurzen of -leningen verstrekt.
In 1881 overlijdt Dierman-Seth en wordt opgevolgd door Charles Verbessem (1833-1899), sinds 1866 secretaris en zijn nauwe medewerker. Onder het bestuur van Verbessem en dat van zijn opvolger Camille De Bast kent de Zonder Naam een ware bloeiperiode, steunend op de fundamenten die Dierman had gelegd.
Tegoedbonnen voor steenkool met vermelding van de schenker.
Tegoedbonnen voor brood, aardappelen, met vermelding van de schenker.
De Zondernaamschool of Sint-Machariusschool, in 1859 ingehuldigd, in 1981-1982 afgebroken en vervangen door de huidige stedelijke lagere Freinetschool Het Trappenhuis.
Charles Verbessem
Op de Gentse Westerbegraafplaats herinneren de familiegraven van de twee voorzitters allebei nadrukkelijk aan hun inzet voor de Zonder Naam. Voor de in 1881 overleden Ferdinand Dierman-Seth werd een familiekelder gebouwd op een afzonderlijk perceel in de zuidoostelijke hoek. Op het brede arduinen fronton prijkt een groot bronzen portretmedaillon van de textielbaron, met links en rechts een bronzen lauwerkrans waarin respectievelijk de woorden “Travail” en “Charité” staan, een behoorlijk accurate vertolking van de twee belangrijkste waarden van de industrieel. In de grafkelder liggen ook zijn zoon Jean-Jacques en kleinzoon Pierre, die allebei zijn filantropische inzet hebben voortgezet.
Aan de andere kant van de Westerbegraafplaats, tegen de zuidelijke muur, bevindt zich het dubbel grafmonument van de familie Verbessem. Ook hier rusten vader Charles, zoon Albert en kleinzoon Carlo samen. Carlos - Carlo voor de vrienden - was een van de eerste Belgische gevechtspiloten. Op 19 december 1917 werd hij neergeschoten tijdens een luchtgevecht boven Wulveringem. Zijn tweedekker Sopwith Camel Scout landde nog in Hoogstade maar Carlos overleed aan zijn verwondingen. Tussen de twee zerken in staat een sokkel met de inscriptie “Docteur en droit. Membre de l’ARA La Gantoise”, bekroond door een borstbeeld van Charles Verbessem, vervaardigd door Domien Van den Bossche en ingehuldigd door de Zonder Naam op 29 oktober 1900. Enkele jaren geleden werd dit beeld helaas ontvreemd en het graf takelt bij gebrek aan onderhoud intussen snel af. Sic transit gloria mundi.
Charles Verbessem, afkomstig uit Elsene, vestigt zich in 1855 in Gent en huwt er in 1861 met Maria Wille. Hij maakt fortuin met een sodakristallen-, lijm- en smeermiddelenfabriek, waardoor hij de middelen bezit voor een uitgebreid engagement in de culturele en filantropische wereld. Als gerespecteerd en succesvol ondernemer zetelt hij bovendien van 1876 tot 1882 in de Gentse handelsrechtbank4.
In 1871 wordt hij viceconsul en vervolgens consul voor de Dominicaanse Republiek en in 1897 ondervoorzitter van de Gentse Cercle Consulaire. Ten behoeve van de farmacie introduceert hij op de Caraïben de toen nog perfect legale cocacultuur. Erythroxylom Coca, een van de twee planten waaruit coca kan worden gewonnen en verwerkt tot een pasta als cocaïne op de markt wordt gebracht, kent op dat moment al een wijd verbreid gebruik. In het Andesgebergte worden de bladeren gekauwd als middel tegen hoogteziekte en als stimulerend middel. In België, en ook in Nederland, dat later via Nederlands-Indië enkele decennia lang de grootste cocaïneproducent op de wereldmarkt wordt, wordt het middel in principe enkel om medische redenen gebruikt.
Politiek zit Verbessem evenmin stil. Hij sluit zich aan bij de Gentse Liberale Associatie en is van 1872 tot 1898 lid van de liberale fractie in de Oost-Vlaamse provincieraad, waar zijn zoon Albert hem opvolgt. Bij zijn eerste verkiezingsdeelname op 27 mei 1872 haalt hij 1.709 stemmen op 1.842 geldig uitgebrachte stemmen in het kanton Gent, waar 14 van de 18 liberale provincieraadsleden worden verkozen, dit tegenover de 62 katholieken in de rest van de provincie. Hij blijft het goed doen in 1884 (eerste verkiezing met bekwaamheidskiezers) en 1888 (eerste verkiezing waaraan de socialisten deelnemen, kopstuk Edouard Anseele wordt dan niet verkozen) maar moet in zijn laatste twee kiesrondes (1894 en 1898) opgevist worden in een tweede ronde, de zogenaamde ballotage. Zijn tijd is duidelijk voorbij5.
Zijn passie voor erfgoedzorg en geschiedenis, kunst en cultuur maakt hem in de provincieraad de uitgelezen woordvoerder van de Gentse restauratiecommissie voor het Gravensteen. Diezelfde belangstelling voor het kunstpatrimonium brengt hem ook in de organisatie van de historische stoet Gent door de eeuwen heen uit 1894, waar hij samen met zijn zoon Albert in het ‘Regelingscomiteit’ zetelt.
In 1880 is hij medeorganisator van de provinciale tentoonstelling Geschiedenis van de Belgische Kunst tussen 1830 en 1880. Hiervoor leent hij een deel van zijn privécollectie uit en gaat hij samen met zijn vriend Theodoor Canneel op prospectie in binnen- en buitenland om de wijd verspreide Vlaamse kunstwerken eenmalig weer samen te brengen. Verbessem is zelf ook een hartstochtelijk verzamelaar van schilderijen en is actief in de kunsthandel. Meermaals biedt hij een deel van zijn collectie aan op veilingen, al dan niet met een opbrengst voor het goede doel. Zo wordt op 2 april 1873 een eerste lot verkocht in de Brusselse zaal Sint-Lucas, met een opbrengst van 110.000 frank. Amper vijf doeken gaan weg voor 6.000 frank of meer, de meerderheid voor een bedrag lager dan 3.000 frank, het betreft met andere woorden duidelijk een behoorlijk groot lot6.
In tegenstelling tot zijn zoon Albert is Charles een, weze het gematigde, flamingant en steunt hij de eisen van de Vlaamse beweging met betrekking tot de erkenning van het Nederlands als cultuurtaal. In 1878 is hij een van de ondertekenaars van de petitie ter ondersteuning van de wet op het taalgebruik in bestuurszaken of de wet-De Laet, genoemd naar Jan Jacob De Laet, een Antwerpse politicus uit de Meetingpartij7.
Verbessem sluit zich in 1868 aan bij het Willemsfonds, waar hij onder meer zetelt in de commissie voor boekenkeuze van de volksbibliotheek8. Samen met de toonaangevende Vlaamsgezinde liberale coryfeeën van dat moment - onder wie Julius Vuylsteke, Julius De Vigne, Auguste de Maere, Pieter Geiregat, Karel Miry, Alphonse Prayon-Van Zuylen, Frans Rens, Willem Rogghé, Gustave Rolin-Jaequemyns, Isidore Van Doosselaere, Max Rooses, Gilles Désiré Minnaert en Leo Van Gheluwe - richt Verbessem in 1871 de Gentse afdeling van het Nederlandsch Tooneelverbond op en wordt de eerste voorzitter. Jozef Van Hoorde, journalist van de Gazette van Gent, wordt zijn secretaris9. In dit unieke experiment werd in 1870 een koepel opgericht die het Nederlandstalig toneel in Nederland én Vlaanderen wil ondersteunen en stimuleren. Het initiatief kent maar een matig succes. Na een enthousiaste start neemt de Vlaamse vrees voor een Nederlandse dominantie en uiteindelijke accaparering van de opleiding en programmatie snel toe, terwijl bij katholieke leden de vrees voor een protestantse invloed opgeld maakt.
De Gentse afdeling slaagt er in haar korte bestaan wel in om een gesubsidieerd beroepsgezelschap op te richten, het Nederlandsch Tooneel in Gent (NTG). Dit gezelschap, dat van start gaat in de Minardschouwburg, bestaat nog steeds en draagt nog steeds dezelfde naam. Met het ‘NTG’ verwijzen veel Gentenaars naar zowel het gebouw als naar het gezelschap. In 1899 krijgt het NTG, vooral dankzij de inzet van Julius Vuylsteke voor wie een huldeplaket in de inkomhal werd onthuld, een eigen gebouw op het Sint-Baafsplein, de nog steeds operationele KNS of Koninklijke Nederlandse Schouwburg10.
De liberale volksdichter en regisseur Napoleon Destanberg, die als eerste de artistieke leiding over dit gezelschap krijgt, overlijdt in diepe armoede. Verbessem toont zijn respect, en dat van de Zonder Naam, voor de kunstenaar door met persoonlijke middelen in te staan voor het portretmedaillon dat nog steeds op diens grafmonument aan de ingang van de Westerbegraafplaats prijkt.
In 1893 is Verbessem een drijvende kracht achter de oprichting van een standbeeld voor zijn goede vriend Karel Miry, dat een plaats krijgt op het Casinoplein, aan de hoofdingang van het oude Casino tussen de Coupure en de Holstraat. In die context spendeert hij ook middelen en tijd aan de ondersteuning van het Nederlandstalig onderwijs met nadruk op het (naschools) beroepsonderwijs. De Société Callier, die instaat voor de financiering van de Laurentkringen, de Société l’Avenir en andere vrijzinnige educatieve projecten, vindt in hem een vrijgevig schenker11.
Charles Verbessem maakt in Gent echter vooral naam als een onverdroten filantroop. Hij laat zich opmerken door zijn tewerkstellingsplannen tijdens de katoencrisis van 1863, zijn inzet tijdens de cholera-epidemie van 1866-1867 en zijn hulp aan de inwoners van de Sassepoortwijk (waar zijn bedrijf was gevestigd) na de grote overstromingen van 1867 en 1872. Voor die inzet krijgt hij in 1867 het Burgerkruis 1e klasse.
Van de Zonder Naam wordt hij in 1857, twee jaar na de stichting, werkend lid en 24 jaar later, in 1881, voorzitter. Onder zijn bestuur komen er, bovenop de bestaande werking, nieuwe volksrefters doorheen de stad, onder meer in de crypte onder het Lakenmetershuis waar het Willemsfonds resideert, en waar mogelijk wordt bijgedragen in de bouw van arbeiderswoningen en de financiering van bejaardenopvang, gezondheidszorg en volkshygiëne. Op de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1889 ontvangt de Zonder Naam een gouden medaille voor haar inzet. Datzelfde jaar wordt een jaarlijkse dotatie aan de beroepsschool voor meisjes goedgekeurd, enkele jaren later volgt de beslissing om ook aan de Carels-Nicaiseschool voor beroepsonderwijs van de stad een jaarlijkse dotatie toe te kennen, te verdelen onder drie verdienstelijke leerlingen uit een behoeftig gezin.
Klassieke fondsenwervingen brengen intussen stevige bedragen op. Zo worden in 1892-1893 inschrijvingslijsten ter ondersteuning van de werklozen verspreid via La Flandre Libérale. Deze brengen niet minder dan 7.600 frank op. Bij zijn overlijden in 1899 telt de Zonder Naam 72 werkende leden. Volgens de jaarrekeningen wordt sinds de stichting in 1855 voor net geen 600.000 frank steun verleend, waarvan de helft onder zijn voorzitterschap. Bijstand in natura wordt, net zoals onder Dierman, gedomineerd door de verdeling van steenkool in de winter, onder Verbessem goed voor 617 ton12.
Grafmonument van de familie Dierman op de Westerbegraafplaats.
Grafmonument van de familie Verbessem op de Westerbegraafplaats.
Grafmonument met het intussen ontvreemde borstbeeld van Charles Verbessem op de Westerbegraafplaats.
Aankondiging opening volksrefter (affichecollectie Universiteitsbibliotheek Gent).
Naast al deze bezigheden mag een weinig vertier uiteraard niet ontbreken. Verbessem is blijkbaar wel te vinden voor culinair experimenteren, degusteren en uitgebreid tafelen. Hij is als geslaagd industrieel met wortels in de gemeente Elsene lid van de exclusieve fijnproeversclub Le Royal Waterzoei de Bruxelles van Gustave Lemaire. De ‘sterrenchef’ van het gezelschap is Felix Dorny die de keuken van het Gentse restaurant Au Waterzooi op het Sint-Veerleplein runt. Toelatingsvoorwaarde om lid te kunnen worden, is de organisatie van een etentje voor de leden ten huize van de kandidaat. Op 19 juni 1882 organiseert Verbessem een feestmaal in zijn woning in de Dierentuinlaan en ter gelegenheid van dat banket wordt een gedenkpenning geslagen. De afbeelding aan de rectozijde verwijst naar de inhuldiging van de Voorhaven die enkele dagen eerder had plaatsgevonden: Sint-Michiel en de draak, met daarrond, met een knipoog, volgende tekst: “Installation Maritimes de Gand. Pose de la 2ième pierre”. De versozijde bevestigt het (geslaagde) etentje bij de Verbessems: “Hommage de reconnaisance, le Waterzoei de Bruxelles à Mr. et Mme Verbessem, le 19 juin 1882”13.
Netwerken en instrumentalisering
De welwillendheid van het Gentse liberale stadsbestuur gaat bijna automatisch gepaard met de samenwerking met of steun van tal van gelijkgestemde liberale organisaties: de Société Littéraire, de Koninklijke Koorzangmaatschappij, de Renaissance, de Kavel, het Taalminnend Gezelschap de Sabatbroeders, de fanfare en het koor van de Société linière gantoise, De Vrede, de Noordstar, de Eendracht, de fanfares Grétry en Sint-Cecilia, L’Orphéon Gantoise, de Vereenigde Werklieden, de Fonteinisten, de Kunstliefde en Broedermin, het Willemsgenootschap, de liefdadige kring De Romeinen, het Willemsfonds, de Liberale Vooruitstrevende Kring, de Union des employés, de Liberale Schoolpenning De Dageraadskringen, de Société l’Avenir, Société française de bienfaisance, het Nemrod Balbooggenootschap enzoverder.
In de archieven en literatuur over deze verenigingen duiken dan ook regelmatig verwijzingen naar de Zonder Naam op. Bij huldigingen van belangrijke liberale figuren en feestelijke evenementen stuurt de Zonder Naam een officiële afvaardiging en loopt mee in de eventuele stoet of cavalcade, al dan niet gemachtigd door de stad om een omhaling te doen onder de toeschouwers. De Zonder Naam wordt op zo’n momenten, willens nillens, al eens een instrument van haar private en publieke financiers. Enkele voorbeelden ter illustratie: de Pacificatiefeesten van 1876, de betogingen van het gemeenteonderwijs tegen de katholieke schoolwet-Jacobs in 1884, de manifestatie van de Liberale Kring van de Brugse Poort in 1885, de samenstelling van het programma van de Cercle Progressiste in 1892 en de inhuldiging van het monument ter herinnering aan burgemeester Charles de Kerchove de Denterghem in 189814.
Een bijzondere rol is weggelegd voor de vrijmetselaarsloge Le Septentrion, die van bij de start de kring beschouwt als een belangrijk onderdeel van haar strijd tegen de almachtige katholieke liefdadige genootschappen in Gent die, volgens een verslagboek van Le Septentrion “vendent au pauvre un morceau de pain au prix des ses convictions les plus intimes et exploitent la misère au profit du fanatisme”. Kop van jut hierbij is vooral het in 1845 opgerichte Sint-Vincentius-a-Paulo Genootschap afdeling Gent.
Het belang dat gehecht wordt aan het succes van de Zonder Naam blijkt ook uit de bijdragen die door andere loges zoals Les Amis du Commerce et la Perséverance Réunis uit Antwerpen worden gestort15. Kopstukken van de Zonder Naam, onder wie Charles Verbessem, zijn onveranderlijk lid van Le Septentrion.
Dankbrief van de Zonder Naam, ondertekend door Ferdinand Dierman-Seth en Charles Verbessem, na een omhaling op een banket van het Willemsfonds (1880).
Intekenlijst voor een liefdadigheidsgala (1937).
Bal van de Gentse Cercle des Etudiants Wallons Liberaux ten voordele van de Zonder Naam (1913).
Anno 2025
De Menslievende Kring zonder Naam niet zonder Hart, intussen een vzw, overleeft de woelige twintigste eeuw en stapt zonder aarzelen de eenentwintigste in. In alle discretie wordt het liefdadigheidswerk tot vandaag voortgezet. In samenwerking met de sociale diensten van de stad, private organisaties met vergelijkbare doelstellingen, gezondheidscentra en schoolbesturen wordt (nood)hulp verleend aan individuen en gezinnen. De financiering blijft, net zoals in 1855, steunen op mecenaat: lidgelden, sponsoring, de inzet van vrijwilligers en steun via de Koning Boudewijnstichting maken de werking mogelijk16. Op het publieke forum duikt de Kring slechts sporadisch op. Vieringen van jubileumjaren met bijhorende ontvangsten op het stadhuis halen in 1955, 1980, 2005 en 2025 de lokale pers, net als het jaarlijkse feest dat de Kring traditiegetrouw aanbiedt aan hulpbehoevenden en daklozen17.
Het archief van de vereniging raakte helaas versnipperd. De oudste stukken (1857-1866) zijn terug te vinden in het Archief Gent en in de Gentse universiteitsbibliotheek18. Liberas bewaart wat rest van het twintigste-eeuws archief, waarin zich gelukkig behoorlijk wat terugblikken bevinden, maar verre van volledig is19. Hier en daar duiken aanvullingen op in persoonsarchieven, zoals dat van Edouard De Jaegher, gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 1848 tot 187120. Het schrijnendste lot, helaas typerend voor nog steeds veel waardevolle erfstukken, betreft het archief dat werd bewaard in een burgerwoning aan het Sint-Annaplein in Gent. In dat gebouw werd in 1970 de cinema Skoop geopend. Tijdens de voorbereidende werken werden onder meer enthousiaste studenten ingezet en zij ontdekten op de zolder van het gebouw archiefmateriaal van de Zonder Naam, onder meer de honderden, waarschijnlijk duizenden, steekkaarten waarop de verdeling van de steun werd bijgehouden. Zij meldden hun vondst aan de geëigende bewaarinstellingen maar alle actie kwam te laat. Bij een nadere inspectie bleek het materiaal jammer genoeg door de aannemer te zijn afgevoerd21.
Ontvangst van het bestuur op het Gentse stadhuis ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Zonder Naam (6 december 1980).
Bronnen, noten en/of referenties
1. Voor de algemene geschiedenis van de Koninklijke Maatschappij Zonder Naam niet Zonder Hart, zie Bart D’hondt, ‘Zonder Naam niet zonder Hart’ (Gent: Liberaal Archief, reeks De Blauwe Doos, 2005) en Van Andriesschool tot Zondernaamstraat. Gids door 150 jaar liberaal leven in Gent (Gent: Liberaal Archief, 2014) waarin zowel de Zonder Naam als verschillende hoofdrolspelers een lemma kregen. Het meest volledige en uitermate gedetailleerde overzicht van de vooroorlogse geschiedenis van de vereniging is te lezen bij: Karen Hens, Meer dan een halve eeuw private liefdadigheid te Gent: De Zonder Naam niet Zonder Hart (1855-1914) (licentiaatsverhandeling, UGent, 2002).
2. Over Le Grand-Hornu, zie diverse passages in: Carmen Van Praet, Bewogen burgers. Negentiende-eeuwse liberalen en de sociale kwestie in België (1846-1886) (Gent: Liberas, 2016).
3. Liberas, Archief Vrijheidsliefde (Gent) (archief nr. 163) en Oscar Langerock, Koninklijke Laurentkring Vrijheidsliefde Eeuwfeest 1868-1968 (Gent: 1968). Vrijheidsliefde stond op die wijze verschillende liberale filantropische initiatieven bij, zie bijvoorbeeld Julie Bohez en Bart D’hondt, ‘“Tous de braves ouvriers, propres et polis.” Het Gentse Werk van het Nachtverblijf (1888-1945)’, in: Handelingen van de MGOG (2023): 259-394.
4. Over Charles Verbessem, zie Nicole Lehoucq en Tony Valcke, De Fonteinen van de Oranjeberg. Deel 2: biografisch repertorium (Gent: Provincie Oost-Vlaanderen en Stichting Mens en Kultuur, 1997) 402; Leon Brancart, ‘Charles Verbessem’, in: Gent Voorwaarts/Gand en Avant, 2, nr.29 (30 april 1899): 4; Adolphe Van Eeckhaute, Alphonse Prayon-De Pauw en Léon Hallet, Hulde aan de nagedachtenis van mijnheer Ch. Verbessem (Gent: Menschlievende Kring “De Zonder Naam niet zonder Hart”, 1899); Karen Hens, Meer dan een halve eeuw private liefdadigheid te Gent, 61-63.
5. Désiré Destanberg, De kiezingen te Gent sedert 1830 (Gent: Ad. Herckenrath, sd).
6. De Vlaamsche School, 19 (1873): 61.
7. Het Volksbelang, 12, nr. 17 (27 april 1878): 1.
8. Volksbelang, 2, nr. 3 (18 januari 1868): 2.
9. Volksbelang, 5, nr. 2 (14 januari 1871): 3 en 5, nr. 5 (4 februari 1871): 3.
10. De Vlaamse Kunstbode, 1 (1871): 141; Hilde Verschaffel, ‘Nederlandsch Tooneelverbond’, in: Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, geraadpleegd op 1 december 2025.
11. Liberas, Archief Société Callier (Gent) (archief nr. 38), 4.2. Ledenlijst, 1884-1932.
12. Cercle Philanthropique Les Sans Nom non Sans Cœur établi à Gand. Statistique. Aperçu Général des Entreprises et des secours octroyés depuis la fondation du cercle / Menschlievende Kring De Zonder Naam niet Zonder Hert gevestigd te Gent. Statistiek. Algemeen Overzicht der Ondernemingen en onderstanden gedaan sedert de inrichting des krings (Gent: Victor Van Doosselaere, 1899).
13. Huguette Taymans, ‘Enkele numismatische herinneringen aan de familie Verbessem’, in: Jaarboek van het Europees Genootschap voor Munt- en Penningkunde (1999): 155-173 en ‘Charles Verbessem (1833-1899), het Gentse restaurant De Waterzooi en Le Waterzoei de Bruxelles’, in: Ghendtsche Tydinghen, 51, nr.2 (2022): 111-116.
14. Voor een gedetailleerd overzicht, zie: Cercle Philanthropique Les Sans Nom non Sans Cœur établi à Gand. Statistique. Aperçu Général des Entreprises et des secours octroyés depuis la fondation du cercle / Menschlievende Kring De Zonder Naam niet Zonder Hert gevestigd te Gent. Statistiek. Algemeen Overzicht der Ondernemingen en onderstanden gedaan sedert de inrichting des krings (Gent: Victor Van Doosselaere, 1899); Karen Hens, Meer dan een halve eeuw private liefdadigheid te Gent.
15. Michel Vermote en Jeffrey Tyssens, ‘Par la parole et par les actes …’ Vrijmetselarij en de emanci¬patie van de arbeiders’, in: Van wijsheid met vreugd gepaard. Twee eeuwen vrijmetselarij in Gent en Antwerpen, (ed.) Jeffrey Tyssens (Brussel en Gent: Marot/Tijdsbeeld i.s.m. Liberaal Archief (Bijdragen Museum van de Vlaamse Sociale Strijd 20), 2003) 176-198.
16. Zie de verenigingswebsite, https://zondernaamnietzonderhart.be/nl/ en de jaarverslagen van de vzw in de overheidsdatabank, https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_vzw/rech.pl?language=nl (tot 30 juni 2003) en https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_tsv/rech.pl?language=nl (vanaf 1 juli 2003). Projecten via de Koning Boudewijnstichting, zie https://kbs-frb.be/nl/individuele-steunaanvragen-0, alle websites geraadpleegd op 27 november 2025.
17. Naast de regionale editie van Het Laatste Nieuws, De Gentenaar en La Flandre Libérale moeten hier zeker Le Courrier de Gand (1975-1994) en Le Nouveau Courrier (1994-1999) worden vermeld.
18. Archief Gent, MA_W03_56. Stukken betreffende Menslievende Kring “De Zonder Naem niet Zonder Hart” (Cercle Philanthropique “Les Sans Nom non Sans Coeur”). 1857-1866. 1 Pak; Universiteitsbibliotheek Gent, collectie Ephemera, ‘Sans nom non sans Coeur’, diverse deelmappen en de collectie Gentse bijdragen, https://libcatalog.ugent.be/, geraadpleegd op 27 november 2025.
19. Liberas, Archief Menslievende Kring De Zonder Naam, niet Zonder Hart / Cercle Philanthropique Les Sans Nom, Non Sans Coeur (Gent) (archief nr. 1745).
20. Liberas, Archief Edouard De Jaegher (archief nr. 1961), 115. Stukken betreffende de vereniging Zonder Naam Niet Zonder Hart, 1857. Dossiernummer 193 (1 omslag). Over Edouard De Jaegher, zie ook Liberas, Archief Adolphe de Vrière (archief nr. 2219) en De Beule (Kris), ‘Edouard De Jaegher, eerste liberale gouverneur van Oost-Vlaanderen’ (2021).
21. Jan Boddaert, ‘Van School zonder Naam tot Trappenhuis’, in: De Vier Voeter, 10, nr. 2 (1996): 4-6.