Menu
Rijmt liberalisme op kolonialisme? De case van Belgisch-Congo
Onderzoek
maandag 29 juni 2020
Geschreven door: Ruben Mantels

‘Imperial liberalism’, is de omschrijving voor de ideologie waarmee Groot-Brittannië in de negentiende-eeuw een wereldrijk verovert. De combinatie van de twee termen roept veel vragen op, omdat de woorden zowel verwijzen naar vrijheid en gelijkheid (liberalisme) als naar verovering en onderdrukking (imperialisme/kolonialisme). Is imperialisme inherent aan de liberale ideologie of juist niet?

Onafhankelijke Congostaat (1885-1908)

De Belgische casus verschilt van de Britse, omdat het kolonialisme er geen gevolg geweest is van een regeringsideologie, maar wel van het handelen van een vorst. Zonder de persoonlijke ambitie van Leopold II was België nooit een koloniale mogendheid geworden. De imperialistische drang van Frankrijk of Groot-Brittannië was België vreemd. De heersende opinie in de liberale middens van de jaren 1860 en 1870 was zelfs antikoloniaal: zowel principieel, politiek als economisch kantte men zich tegen de expansionistische politiek van de Europese mogendheden.

Een kaart van Congo Vrijstaat, 1904

Nadat koning Leopold II op private wijze een reusachtig gebied in Centraal-Afrika verwerft, verandert de situatie. Er ontstaat een koloniale lobby en een politiek debat waarin ook de liberalen kleur moeten bekennen. Maar het debat is complex. Sommige liberalen zijn voorstander van de kolonisatie, maar gekant tegen het volgens hen despotische bewind van Leopold II. Anderen, zoals Walter Frère-Orban, regeringsleider tussen 1878 en 1884, hebben minder problemen met de vorst, maar zien in het koloniseren geen politieke doelstelling. Nog anderen zien een verband tussen de sociale kwestie en de kolonisatie, tussen binnen- en buitenlandse politiek. Nieuwe afzetmarkten en uitwijkmogelijkheden zijn volgens hen nodig om de binnenlandse spanningen en democratische onrust te kunnen bezweren.

Na 1905 ontstaat er zware internationale kritiek op de wreedheden die plaatsvinden in de Onafhankelijke Congostaat. Dat leidt tot politieke hoogspanning over de kolonie. Aan liberale zijde komt de kritiek vooral van parlementariër en hoofdredacteur van La Réforme Georges Lorand. La Réforme is het belangrijkste liberale antikoloniale orgaan, dat ongeveer vijfenzeventigduizend lezers bereikt. Lorand koppelt zijn principiële, humanitaire kritiek aan twijfels rond de economische en politieke belangen van de kolonisatie. Hij is een van de liberalen die niet gelooft in ‘imperial liberalism’.

Ondanks de campagne – die soms eerder anti-Leopoldiaans dan antikoloniaal is – halen de voorstanders van de kolonisatie geleidelijk de overhand. Een jongere generatie vindt het gemakkelijker om te geloven in koloniale grandeur. Een van die jongeren is de latere liberale partijleider en staatsman Paul Hymans. In zijn Mémoires schrijft hij over zijn contacten met Leopold II en over hoe hij zijn partijgenoten in 1908 overtuigt om voor de ‘reprise’ te stemmen. Als de liberale partij toekomst wil hebben moet ze volgens hem voor de overname van Congo stemmen.

Belgisch-Congo (1908-1960)

In 1908 verandert de Onafhankelijke Congostaat in Belgisch-Congo. Op 15 november wordt het Koloniaal Charter goedgekeurd in het parlement, met de stemmen van de helft van de liberalen en de meerderheid van de katholieken. Van een vorstelijke onderneming wordt de kolonie een staatsaangelegenheid, maar zonder dat het ooit een werkelijk nationaal project wordt.

Behalve in die periode van de overname in 1908 en de dekolonisatie in 1958-1960 staat de kolonie niet in het middelpunt van de belangstelling, integendeel. Een zekere gelatenheid kenmerkt de houding van de Belgen ten opzichte van hun kolonie.

Louis Franck op reis in Congo, jaren 1920
https://hdl.handle.net/21.12117/5956641

Dat geldt ook voor de Liberale Partij. Zeker voor de Tweede Wereldoorlog is de kolonie geen hoofdthema. Dat blijkt ook uit het liberale aandeel in de koloniale regeringsposten en topfuncties. De Liberale Partij heeft slechts drie ministers van Koloniën gehad (Louis Franck, Robert Godding en Auguste Buisseret) en twee gouverneurs-generaal (Felix Fuchs en Maurice Lippens). Aan het einde van de jaren 1950 intensifieert de belangstelling wel. Liberale toppolitici als Hilaire Lahaye, Adolphe van Glabeke, Paul Kronacker en Albert Lilar bezoeken de kolonie en leggen contacten. De onafhankelijksplechtigheid in 1960 wordt bijgewoond door Omer Vanaudenhove, die kort daarna partijvoorzitter wordt.

Naast een partijpolitieke, is er ook een sociale en culturele werking in Congo. In de jaren 1950 ontwikkelt zich het syndicalisme en komt er een liberale vakbond in Belgisch-Congo. Er is een vrijzinnige cultuur, onder andere in de vrijmetselarij en de werking van het Willemsfonds in Leopoldstad.

Op economisch vlak is er een nauwe verwevenheid tussen de liberale beweging en het koloniale zakenleven. Emile Francqui, gedelegeerd bestuurder van de Union Minière du Haut Katanga en gouverneur van de Generale Maatschappij van België, is het bekendste voorbeeld. Hij heeft liberale sympathieën en is korte tijd minister. Dichter bij de partij zijn Godding en Kronacker actieve zakenlui.

Tekstaffiche met aankondiging van een voordracht met dia- en filmvoorstelling, 1921
https://hdl.handle.net/21.12117/1214039

Rijmt liberalisme op  kolonialisme?

In tegenstelling tot Groot-Brittannië is het liberalisme in België géén drijvende imperialistische kracht geweest. Eens de kolonie verworven, en na het verdwijnen van Leopold II, heeft het Belgische liberalisme wel eensgezind het koloniale project verdedigd en uitgedragen. Daarom rijmt in de case van Congo liberalisme wel op kolonialisme. Dat wil niet zeggen dat er geen liberale critici en tegenstanders van de kolonisatie waren, zoals Lorand. Meestal bevonden die zich in het in het radicale, linkse liberalisme, dat in de twintigste eeuw uitmondt in het socialisme, een stroming die wel principiëler tegen de kolonisatie gekant was.

‘Congo’ is ook een thema geweest dat soms onverhoeds een rol gespeeld heeft in de carrière van individuele liberale politici. Leo Augusteyns, de ‘averrechtse’ voorman van de Liberale Volkspartij, verzet zich fel tegen de overname van Congo door België. ‘Er kleeft bloed aan de geldelijke winsten die deze kolonie oplevert’, roept hij op 5 februari 1908 op een Congomeeting. Zijn kritiek op de uitbuiting en financiële malversaties in Congo loopt parallel met zijn engagement in de liberale arbeidersbeweging in België. Zijn uitspraak zal hij echter moeten bekopen met een persoonlijke afrekening binnen het Antwerpse liberalisme. Hij kan echter wel volksvertegenwoordiger blijven, en is in 1908 een van de liberalen die tegen de overname stemt.

Een ander voorbeeld is Karel Buls, de liberale burgemeester van Brussel, voor wie Congo een late roeping is. In 1898 maakt hij een lange reis naar Congo die hij vastlegt in notitieschriftjes en aquarellen. Na zijn terugkeer zal hij in Croquis Congolais (1899) enthousiast verslag doen van wat hij in Congo gezien heeft. Hij richt ook het Oeuvre des bibliothèques congolaises op, bedoeld om de kolonialen lectuur en verstrooiing te verschaffen. De conclusie van Buls is ondubbelzinning. De liberaal ziet in de kolonie grote economische mogelijkheden en roemt het genie van Leopold II. De voordelen die de kolonisatie van Congo aan België verschaft, zijn er gekomen door ‘le despotisme intelligent du souverain de l’Etat indépendant’ zegt Buls.

Als partij scharen de liberalen – zeker na 1908 – zich achter het koloniale project, maar de voorbeelden van Augusteyns en Buls tonen aan hoe uiteenlopend de individuele posities konden zijn.